Dit schamele offer, ons ego

Ik heb altijd al een zwak gehad voor droge, precieze poëzie. Waarnemen, wikken en wachten op het juiste woord. Ik heb dus sinds zijn debuut in 2006, Toendra, een zwak voor de poëzie van Willem Thies (1973).

Thies is van huis uit een ingetogen, afwachtende dichter. Hij doet sober verslag van zijn waarnemingen. Dit is Thies aan het strand: ‘Het gras stroomt langs het duin. / De hand van de wind strooit het zand uit. / Het suist door de wirwarstruiken.’

In deze beschrijvende zinnen zit enige beeldspraak, maar het is niet spectaculair. Het gras slaat niet neer, maar het ‘stroomt’ langs het duin. Het is niet de wind, maar ‘de hand van de wind’ die het zand uitstrooit.

Af en toe gebruikt hij een nieuw woord: ‘wirwarstruiken.’ Zo gaat het portret van een strand op een winderige dag verder. Zakelijk: ‘Voor de ingang van het paviljoen / stampt een man zijn schoenen op een rooster.’ Met nog wat beeldspraak en wat rijm: ‘De wind wikkelt een vlag rond / zijn mast en houdt hem vast.’ Met een eigen manier van zeggen: ‘De man klopt zijn broekspijpen blauw’ (door het zand eraf te kloppen krijgt de broek zijn blauwe kleur weer terug). En met een woord van eigen vinding tot slot: de man ‘ontslaat zich van het strand’.

Zo gaat het vaak bij Willem Thies, ook in zijn nieuwe, derde bundel Twee vogels één kogel. Bij het lopen door de stad kijkt hij huiskamers binnen: ‘een gezin zit samengepakt / voor een flatscreen, koude parodie op een open haard.’ Op een tropisch eiland schaven een paar mannen de bast van een boom: ‘de barbieren van de palmboom’. Op IJsland ziet hij boven stenen, grindpaden en paarden ‘een laaghangend plafond van wolken’. En hij heeft een goed oog voor vreemde kronkels, zoals in het gedicht over de Iraakse Koerd die het Nederlands nog niet helemaal beheerst. Hij zegt ‘bloedlijnen’ als hij ‘aders’ bedoelt, en ‘twee vogels, één kogel’ in plaats van ‘twee vliegen in een klap’.

Zwerfafval

Het is allemaal goed gezien en scherp geformuleerd, maar het is ook wel erg afstandelijk. Het is mooi dat iemand nauwgezet de bewegingen van het zwerfafval over het stationsplein en door de stationshal registreert, maar hoe erg is het als dat niet gebeurt?

In een gedicht als ‘Straatbeeld’ lezen we over een kat, een man, een rolgordijn, een huizenrij, een bootje, een hond, maar waar loopt zo’n registratie op uit? Aan het eind van het gedicht spoeden alle mensen zich naar ‘hun versteende nesten’. Mooi beeld. Net dieren. En dan? Dan zitten ze aan de eettafel, ‘waar zij mededelingen zullen doen / over de dag, het recente verleden, de nabije toekomst.’ En dat is het dan.

Ik vind dat een teleurstellend nietszeggend einde – tenzij hier Grote Eenzaamheid tot uitdrukking wordt gebracht. Niet de eenzaamheid van die mensen aan die eettafels in hun dagelijkse routine, maar van de dichter Willem Thies die het allemaal ziet gebeuren, elke dag weer, en er geen contact mee kan maken.

Als deze gedichten mij aangrijpen, dan is het om het isolement van de waarnemer dat ik erin lees. Soms kan zo’n isolement er uitzien als een mooie vorm van filosofische distantie. Zie de dichter de omgeving waarnemen in een snelweg-gedicht: ‘de kilometerstanden verspringen, / een punt in de verte nadert en verdwijnt uit het zicht, / de berm wijkt en verglijdt’.

Hier kun je je geruststellende gedachten bij voorstellen. Alles is wat het is. Alles valt met alles samen. ‘De runderen / achter draad, hun dag uit gras bestaande, verankerd / in hun grote, domme lijven.’ Het lijkt een toestand van kinderlijke verbazing om de werkelijkheid, of van aardse mystiek, of van Zen.

Maar één stap verder en er is geen contact meer met die werkelijkheid. Die ervaring schemert hier een paar keer door de strakke buitenkant heen. Zoals in ‘Ritueel’, waarin het leven van alledag met al zijn automatismen wordt beschreven. ‘Plichtmatig vloekend staat men op’. Weer dient zich ‘een doffe nieuwe dag’ aan. Weer trekken de auto’s de snelwegen op, ‘in de vroege ochtend en de avondschemer, als foeragerende dieren.’ Mooi gezegd, met weer die nadruk op het dierlijke. Intussen doet iedereen zijn geestdodende klus: ‘de docent / onderwijst, de boekhouder becijfert, de advocaat pleit.’

Het is een verstikkend ritueel, waar volgens Thies ook de kunstenaar niet aan ontkomt. Hij, ‘de vrijbuiter’, zoekt het in excessen en visioenen, maar het is steeds ‘hetzelfde exces, hetzelfde grijsgedraaide visioen.’ De uitkomst is treurig: ‘alles routine, alles – ook wanneer men haar ontwrichting is toegewijd.’

Troost en kroost

Zulke beklemmende conclusies zijn er vaker. De zinloosheid van een hete zomerdag, in droge zinnen gevangen. De treurige aanblik van een oudere vrouw op een terras. De manische manier waarop jonge ouders, half verdwenen onder de kap van de kinderwagen, hun kroost tot vrolijkheid willen dwingen.

Dit zijn de plekken waar Thies, tussen al zijn afgemeten genrestukjes, zijn ziel blootlegt. Het lijkt soms spottend bedoeld allemaal, cynisch commentaar vanaf de zijlijn op een ontspoorde samenleving. Hij wijst op de overeenkomsten tussen voetbalsupporters, bezoekers van rockconcerten en kerkgangers: opgaan in de massa, samenzang, honderden reikende handen. Waar zijn ze naar op zoek?

Het verrassende is dat Thies niet in de derde persoon over hen spreekt, maar in de eerste persoon meervoud. ‘We zoeken niets, we willen iets kwijtraken.’ En wat dan? ‘We strekken onze armen in de hoop dat iemand weggraait / wat ons scheidt van de rest: dit schamele offer, ons ego.’ Hier spreekt Thies het verlangen uit om aan zichzelf te ontkomen, om zich te ontslaan van zichzelf. Hoe moet het verder?

Ik denk dat hij zijn afgemeten afstandelijke dichtersstandpunt zal verlaten. De vraag is alleen: gaat hij de kant van Nijhoff op, of wordt hij de nieuwe J.C. Bloem?