Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Boeken

Blaas die kaarsjes maar uit

Er zit een feest in mij! Querido’s Poëziespektakel 5. Querido, 94 blz. € 14,95. 9+

‘Poëziespektakel’ is een feestelijk woord voor wat je kunt zien als een bezuinigingsmaatregel. Kinderdichtbundels zijn steeds moeilijker te financieren, merkte uitgeverij Querido een jaar of vijf geleden. Om toch nog duizend bloemen te laten bloeien ontstond in 2007 het eerste in een reeks poëziejaarboeken, met nieuw werk van Nederlandse kinderdichters.

In Er zit een feest in mij!, de vijfde aflevering, staan veel gedichten over feest. Maar blaas die kaarsjes maar weer uit, want als dit het beste is wat de Nederlandse kinderpoëzie dit jaar te bieden heeft, is er geen reden tot vrolijkheid.

Een gedicht over een meisje dat zich op een feestje ongemakkelijk voelt – het is niet origineel en eerder beter gedaan. Over een feestje voor een arriverend adoptiebroertje (‘Daar is het nieuwe broertje Dja / Uit het verre land, hoera!’) – het is voorspelbaar en het rijm is gemakzuchtig. Een gemis dat voelt als ‘dingen zonder dop’ – van een gedicht mag je meer verwachten dan zo’n ongeïnspireerde vergelijking.

De bundel barst van de uitgekauwde onderwerpen waarmee niets nieuws gebeurt, lelijke zinnen (omdat het per se lijkt te moeten rijmen) en gedichten die nauwelijks gedichten zijn, maar magere anekdotes of kleine ideetjes.

Alle 144 goed is misschien te veel gevraagd, maar de uitschieters dobberen nu in een zee van middelmatigheid. Een gedicht dat aardig begint (‘Later als ik dood ben/ ga ik gewoon bij God wonen’), wordt teruggebracht tot een probleem (vader is alcoholist) en daarmee ontraadseld.

Dat betekent niet dat de dichters geen greintje poëzie in hun donder hebben. In de door samensteller Ted van Lieshout geschreven ‘achtergrondartikelen’ wordt bijvoorbeeld Jef Aerts verleid tot een mooie zin als hem naar zijn lievelingswoord gevraagd wordt: plomberen (het vullen van een gaatje bij de tandarts). Dat is ‘alsof er een drilboor plompweg in het glazuur wordt geploft’. Zó geef je woorden glans.

Simon van der Geest draait de werkelijkheid wél een kwartslag, in zijn gedicht over een wandelende, pardon, reizende tak: ‘zijn vader was de wandelstok/ van een ontdekkingsreiziger’. Judy Elfferichs absurdistische rijmen over fantasiewezens zijn geestige taalcapriolen die doen denken aan C. Buddingh’: ‘Alles is zo ongewokkeld,/ alles is zo ongewis,/ als je schoenen zijn versokkeld/ en je vuist een vlakgom is.’ Daar word je wél vrolijk van.