Opinie

Die spatie in het logo van het Rijks leek me logisch

‘La bohème’ in de regie van Lotte de Beer.
‘La bohème’ in de regie van Lotte de Beer. Foto Olivier Middendorp

Het Rijksmuseum gaat weer helemaal open. In de vroege lente, op 14 april. En deze herfst al opent aan hetzelfde plein het Stedelijk Museum zijn deuren, op 24 september. De vlag uit, dus. Zang! Dans! Vuurwerk!

Toch?

Nee. Nu wordt er weer gemord over de nieuwe logo’s van beide musea. Dat van het Stedelijk doet „pijn aan je ogen”, om een van de vriendelijker reacties te citeren. Het bestaat uit een grote S, gevormd door de woorden ‘stedelijk’ en ‘museum’. Beetje kinderachtig, ja. Logo’s zijn een kwestie van smaak en mode – de vorige huisstijl van het Stedelijk was bijvoorbeeld verschrikkelijk verantwoord. Zo sober. Braaf, vond ik. Maar werkelijk belangrijk is dat het museum eindelijk, eindelijk, eindelijk klaar is.

En nu wekt het nieuwe logo van het Rijksmuseum zelfs kille drift, gemobiliseerd door het platform SOS: Signalering Onjuist Spatiegebruik. Ik dacht aan een grapje, maar dat platform bestaat, met een jaaroverzicht, een meldpunt en een voorzitter. Die spreekt waar hij maar kan zijn verontwaardiging uit over het nieuwe logo, met zomaar een spatie tussen ‘rijks’ en ‘museum’. En dat hoort niet.

Nee, dat hoort niet, de voorzitter van SOS heeft een punt. Maar waar zat hij al die tijd? Op de maan? Op vele deuren en glazen kan hij zien wat vormgevers aanrichten met logo’s. Die schurken spiegelen letters, ze kantelen ze, soms laten ze zelfs een lettertje vallen. Ze vervangen complete woorden door symbolen (‘I Amsterdam’). En ze creëren niet alleen spaties, ze schrappen ze ook (‘vanabbemuseum’).

Soms is een logo mooi. Soms is het ergerlijk, suf of lelijk. Maar dan nog kan het doel treffen: je krijgt het niet meer uit je kop. En dan is het goed, want dat is de bedoeling.

Die spatie in het logo van het Rijksmuseum vond ik trouwens logisch. Het leek me duidelijk dat hij stond voor de fietsdoorgang midden in het gebouw – tegen de veiligheidsadviezen in gehandhaafd na het aanhoudend rellen van buurtgenoten die niet om het museum heen willen fietsen (2 minuten) maar er doorheen via de tunnel (1 minuut), zoals ze dat gewend waren.

Het logo van het Foam, het Amsterdamse fotomuseum, moet het doen zonder beginkapitaal en in het midden ontbreekt aan de a een plakje. Herkenbaar. Swingend. Hoef ik er verder alsjeblieft niet over na te denken?

Ik kom in het Foam voor een tentoonstelling: Compulsion. De foto’s van Alex Prager. Ze verzint, ensceneert en shopt heldere waanzinbeelden bij elkaar, met dramatische gebeurtenissen. Die drenkelingen bijvoorbeeld. Nette mensen die in koud groen water drijven. Bang. Beheerst. Brr. Op een andere foto hangt een platinablond meisje aan de bumper van een blijkbaar gelanceerde, luxueus rode auto. Prachtig weer. Een rookwolk suggereert een grote klap. Een meeuw vliegt onaangedaan voorbij. Of die foto van de elektriciteitsmast. Er hangt een vrouw in, voorover, met bungelende benen, haar middel klapt over een van de stangen.

Pragers foto’s zijn groot van stuk. Vaak hangt ze er een kleinere bij, een voetnoot: de close-up van een oog, die de grote foto een gevoelige duw geeft. Nu is zo’n oog zelf niks. Een weke, wezenloze knikker. Ogen de vensters van de ziel? Vergeet het maar. Het gaat om de huid eromheen, daar siddert het geheimschrift van de lijntjes. Die wenkbrauw? Die kruipt met de moed der wanhoop over zijn bot. Zodoende spartelen in de kleine foto’s de relevante gevoelens. Samengeperst. Elk oog is een logo.

Gelukkig dat er film bestaat, Alex Prager leent er symbolen van. Pikt conventies en het glazige licht van de psychologische thriller.

Slenter je aan deze foto’s voorbij dan word je getrakteerd op glamour en suspense. Maar sta stil en kijk. Voor je het weet, droom je weg en vertel je jezelf verhalen. Dat meisje aan de bumper van de rode auto. Hoe kwam dat zo? Automatisch verzin je het. Even onwillekeurig schiet je een happy end te binnen (hoe uitzichtlozer de situatie, des te gelukkiger de afloop, in films). Wat Alex Prager ons laat zien kan niet. Het bestaat niet. Het klopt niet. Het is fout. En daarom is het zo goed.