Een pas geverfd luik is verdacht

Hoe bewaak je een buitengrens van Europa waar ieder jaar 35.000 schepen binnenlopen. Risicoanalyse is het sleutelwoord: alleen schepen met een verhoogd risico worden onderzocht.

Er is geen grens te zien, toch wemelt het in het havengebied van auto’s met het logo van de douane. Nederland bewaakt hier de buitengrens van Europa met meer dan duizend douanebeambten, speciale speurhonden, scanners die in containers kunnen kijken, detectiepoorten en duikteams.

Op vliegvelden is het al niet te doen om iedere passagier en ieder stuk bagage afzonderlijk te controleren. Hoe doe je dat dan in een havengebied dat 40 kilometer lang is? Waar ieder jaar meer dan 35.000 schepen binnenlopen uit alle delen van de wereld. Waar meer dan 12 miljoen containers worden geladen en gelost.

Peter en Ernst zijn twee van de mannen die in de haven van Rotterdam de smokkelwaar buiten de deur moeten zien te houden. Ze maken deel uit van een ploeg die verdachte schepen onderzoekt.

Ze willen niet herkenbaar op de foto of met hun achternamen in de krant, want ze weten een machtige georganiseerde misdaad tegenover zich. Ze voelen zich kwetsbaar tegenover netwerken van Latijns-Amerikaanse drugsbaronnen, Servische worstelkampioenen die het smokkelvak geleerd hebben tijdens de Joegoslavische oorlogen, en Aziatische criminele groepen.

Het is tegen achten in de avond als Peter en Ernst samen met 8 andere douanemannen aan boord gaan van een meer dan 300 meter lang schip dat net is aangemeerd in de containerhaven op de Eerste Maasvlakte. Het schip geldt als risicoschip, omdat het uit Panama komt – een van de tussenstations op de cocaïneroute van Latijns-Amerika naar Europa.

De Montenegrijnse kapitein is duidelijk niet blij met het bezoek van de douane. Op zijn bovenlip glimt een laagje zweet als hij in zijn kantoortje antwoord moet geven op standaardvragen. Wat is precies zijn route, waar heeft hij geladen, wanneer is het schip voor het laatst geïnspecteerd, wie zijn er aan boord?

Peter doet het woord. Hij neemt de bemanningslijst door. Het zijn veelal Montenegrijnen, een paar Serviërs en Roemenen en één Ethiopiër. „Any stowaways?”, vraagt de Rotterdammer langs zijn neus weg. Nee er zijn geen verstekelingen aan boord.

Passengers?” Ja, er blijkt één passagier aan boord. „Dat is een beetje een raar verhaal”, begint de Montenegrijn. De douanemannen spitsen de oren. Ze zijn specialisten in rare verhalen. Het blijkt te gaan om een Zwitser die anderhalf jaar eerder naar New York is gevlogen en te fiets de Verenigde Staten heeft doorkruist en in Panama met fiets en al aan boord is gekomen. „Die hut pakken we zo meteen als eerste”, mompelt Peter tegenover zijn collega’s.

Als de formaliteiten zijn afgerond gespen de douanemannen pistolen en wapenstokken aan hun riemen en steken busjes pepperspray in hun zakken. Gewapend met zaklampen, baco’s en zuurstofmeters, beginnen ze aan wat officieel de ‘visitatie’ heet.

In koppels van twee wordt het hele schip binnenstebuiten gekeerd. Drugshond Boy wordt eerst langs de fiets en de hut van de Zwitserse passagier gestuurd. Intussen kijken Peter en Ernst met spiegels op stokken achter wanden en boven plafonds.

Een pas geverfd luik ziet er verdacht uit. Het zou met opzet kunnen zijn dichtgeverfd. De mannen halen hun baco’s te voorschijn en schroeven geduldig de bouten los. Peter past net door het kleine luik en verdwijnt, gewapend met zijn zuurstofmeter, in de zwarte diepte van het ruim. De cocaïne kan overal liggen.

De jongste smokkelmethode heet rip off. De drugs zitten in tassen die ergens in Latijns-Amerika aan boord worden verborgen. In een container, bovenop leidingen, achter spanten, in trossen touw. In Rotterdam of andere Europese havensteden worden de tassen door handlangers van boord gedragen. Door omgekochte havenmedewerkers of insluipers.

Neem die drie mannen die ze een keer onderin het ruim tegenkwamen. De douane dacht dat ze bij het schip hoorden, omdat ze overalls van het schip droegen. Tot een van de drie zich verraadde door zijn schoenen. In plaats van de gebruikelijke veiligheidsschoenen met verharde neuzen, staken er onder zijn overall glimmende schoenen vandaan. Ze werden even later opgepakt toen ze met grote tassen drugs over hun schouders de loopplank afliepen.

Vaak is het zoeken naar een speld in een hooiberg. Zelfs als je zeker weet dat er drugs aan boord zijn, zoals toen bij die kapitein over wie ze waren getipt: ze hebben hem niet kunnen snappen. De hele bemanning was vastgezet in de messroom, alle mobieltjes ingenomen. Maar zelfs na een speurtocht van twaalf uur bleven de drugs onvindbaar.

De tussenpersonen die de cocaïne van boord hadden moeten halen, zijn nooit opgedoken. Kennelijk hadden ze onraad geroken toen hun sms’jes vanaf de wal onbeantwoord bleven. De tassen bleven staan waar ze stonden, op weg naar een volgende haven. Al wist niemand waar.

De douane kan maar een fractie controleren van de schepen die dagelijks binnenvaren in Rotterdam. De surveillancedienst voert gemiddeld twee scheepsvisitaties per dag uit. De buitengrens van Europa wordt vooral bewaakt op basis van risicoanalyses: alleen schepen die een verhoogd risico dragen worden onderzocht. Vorig jaar wist de douane beslag te leggen op 6.000 kilo cocaïne, 2.650 kilo marihuana en 121 kilo hash.

Ook in smokkel van sigaretten uit Rusland en namaakartikelen uit China gaan enorme bedragen om, maar de echte oorlog woedt met de drugsbaronnen uit Latijns-Amerika die de Europese havens voortdurend bestoken met cocaïne. Ernst: „Die schieten met hagel, als het in Rotterdam niet lukt, proberen ze het gewoon in Antwerpen of Hamburg.”

De vijf vorige afleveringen van deze serie stonden in de kranten van 18, 22, 24, 29 en 31 augustus.