Belangst

Ooit heb ik als peuter een willekeurig nummer gedraaid en een goed kwartier met iemand in Frankrijk gebeld. Ook was er die korte periode waarin ik mijn telefoon behandelde als een soort onmisbaar zuurstofapparaat: van mijn veertiende tot mijn zestiende zat de hoorn tegen de zijkant van mijn gezicht geplakt en besprak ik met vrienden

Ooit heb ik als peuter een willekeurig nummer gedraaid en een goed kwartier met iemand in Frankrijk gebeld. Ook was er die korte periode waarin ik mijn telefoon behandelde als een soort onmisbaar zuurstofapparaat: van mijn veertiende tot mijn zestiende zat de hoorn tegen de zijkant van mijn gezicht geplakt en besprak ik met vrienden eindeloos onderwerpen als school (stom), de muziek van Korn (leuk) en jongens (stom en leuk). Het is dus niet helemaal eerlijk om nu te beweren dat de telefoon en ik niks van elkaar moeten hebben, maar een louter harmonische relatie is het evenmin. Er is de angst. De belangst.

‘Wat vind jij van Korn?’ kon me altijd uit ongemakkelijke situaties helpen

De belangst komt in vele gedaanten. Als kind durfde ik er bijvoorbeeld niet zomaar van uit te gaan dat ik ook daadwerkelijk degene aan de lijn zou krijgen die ik probeerde te bellen. Voor mijn gevoel was iemand opbellen een lijntje openen naar het onbekende; alsof er in een grote centrale door een verveelde chimpansee met een geborduurd vestje aan willekeurig connecties werden gemaakt tussen beller en ontvanger. Het idee dat er na de tergende tuuuut…. tuuuut…. tuuuuuts….. iemand kon opnemen met een bars „Ja hallo, dit is meneer Hunschoten, wie is dit?” leek me bijzonder onprettig, alsof ik zomaar vreemde huiskamers binnen zou wandelen.

Toen ik ouder werd, richtte de bel-angst zich meer op alles wat er tijdens het gesprek zelf mis kon lopen. Dit speelde vooral als ik jongens ging opbellen; elke minuut stilte tijdens een potentieel romantisch telefoongesprek voelt immers aan als een minuut stilte tijdens een herdenking – lang en zelfbewust. Om dit te voorkomen maakte ik van tevoren lijstjes met mogelijke gespreksonderwerpen. ‘Wat was je eerste huisdier?’, ‘Wat zou je doen als er aliens op aarde landen?’ en ‘Wat vind jij van Korn?’ konden me altijd uit ongemakkelijke situaties helpen. Ik geloofde niet in ‘geen klik’, ik geloofde alleen in slecht voorbereide lijstjes.

En tegenwoordig vrees ik tijdens telefoongesprekken vooral mijzelf. Zeker als ik mensen bel waar ik iets van nodig heb, mis ik het kunnen inzetten van lichaamstaal. Een stem alleen kan namelijk zo goed op hol slaan: „Ja, hallo, met Renske, ik heb een gekke vraag, nou ja, zo gek is het eigenlijk ook weer niet, u zult misschien wel gekkere vragen krijgen, niet dat ik bedoel dat u de hele tijd debielen aan de lijn krijgt, of tenminste, dat weet ik niet, dat zou eigenlijk best kunnen, maar wat ik dus wil vragen, die semi-niet-per-se zo heel gekke vraag dus, ik zou graag morgen willen langskomen, het is voor een artikel… O, ja, natuurlijk, slechts de receptioniste. Ja, als u me zou willen doorverbinden, ja heel graag.” Zodra ik mensen moet opbellen die ik niet ken, acht ik het niet onwaarschijnlijk dat zij aan het eind van het gesprek zullen denken: ‘God, dat ze inmiddels ook al mensen laten bellen vanaf gesloten inrichtingen, dat wist ik helemaal niet.’

Natuurlijk weet ik dat belangst een beetje het gehaktbrood van de fobieën is: niet bepaald flitsend. Uiteindelijk is de enige oplossing dan ook: bek houden en bellen. En ondertussen met mijn lotgenoten tips voor lijstjes uitwisselen. Per mail.