Opinie

Hangbuikzwijn

We zaten ’s avonds op ons gemak te eten in café-restaurant De Keurvorst in het bij Oss gelegen plaatsje Ravenstein. Met deze mededeling wil ik niet de indruk wekken dat het voor mij dagelijkse routine is om in Ravenstein te dineren. Ik was zelfs nooit eerder in Ravenstein geweest.

Ten onrechte overigens, want het is een aardig, oud vestingstadje, prachtig gelegen aan de Maas. In de omgeving kun je mooie wandelingen maken langs nogal wat leegstaande kerken – de gesel van het heidendom heeft Noord-Brabant zwaar getroffen.

Allemaal interessante zaken waar ik het hier verder niet over wil hebben, omdat iets anders mijn aandacht van Ravenstein afleidde, terwijl ik in De Keurvorst zat te eten. Deze zaak, waar het goed eten bleek, vulde zich snel met klanten, voor het merendeel dagjesmensen. Er waren vier mensen bij die van een onwaarschijnlijk grote omvang waren. Ze schoven met hun reusachtige buiken en billen vlak langs mij, omdat ik dichtbij de deur zat.

Opluchting tekende hun gezicht als ze zich met hun volle gewicht op hun stoel konden neerlaten. Een moeilijk deel van de dag was achter de rug, niet langer hoefden al die kilo’s opgetild en meegesleept te worden, eindelijk konden ze hun onverzadigbare lichaam bijvoederen.

Het waren drie vrouwen en een man, niet ouder dan een jaar of veertig. Twee vrouwen hoorden bij elkaar en bij een gezelschap dat achter ons ging zitten. De derde vrouw verdween naar een ander deel van de zaak. De man zette zich aan de bar, maar hij was zo corpulent dat hij de doorgang achter zich versperde. Het waren allen Nederlanders.

Ik moest meteen denken aan het wanstaltig dikke, blonde meisje – jaar of achttien – dat ik deze zomer op een terras aan zee meemaakte. Ze zat er met een ander meisje, dat ook al van respectabele omvang was. Het wanstaltige meisje had zich een onverschillige houding aangemeten. Ze was zich bewust van de blikken die meewarig op haar gericht waren – en deed alsof ze zich er niets van aantrok. Voeten op een stoel, keek ze uitdagend om zich heen terwijl ze taart en frisdrank in aanzienlijke hoeveelheden tot zich nam.

Het was háár lichaam, waar bemoeiden we ons mee? Zelden had ik zo’n calorierijke demonstratie gezien.

Op zulke momenten besef je dat obesitas allang geen exclusief Amerikaans verschijnsel meer is. Het is in de jaren negentig overgewaaid naar Europa en inmiddels ook Latijns-Amerika en Azië, al is mijn (onwetenschappelijke) indruk dat het in Nederland en Duitsland sterker verbreid is dan in bijvoorbeeld Zweden, waar ik dit jaar op vakantie was.

Ik las het boek Vet! van Inger Boxsem en Wout Jan Balhuizen die openhartige gesprekken voerden met aan obesitas lijdende kinderen, hun ouders en deskundigen. Het bevat hartbrekende verhalen van kinderen over hun onzekerheid, machteloosheid en de wrede reacties uit hun omgeving. Michelle, 11 jaar, vertelt: „In groep 3 werd ik steeds dikker. Toen begon het pesten en dat werd steeds meer. De kinderen zeggen ‘dikzak’ of ‘varken’. Of ze zingen: hangbuikzwijn, hangbuikzwijn, Michelle wil op vakantie, maar de auto is te klein.”

Een van mijn kleinkinderen, bij ons op bezoek, vroeg om tumtum én chips. Ik hoorde mijn vrouw vriendelijk, maar onverbiddelijk zeggen: „Je moet kiezen.” Hij deed het, met tegenzin. Voorkomen dat je kind hangbuikzwijn wordt genoemd, is kennelijk een van de grootste opgaven van de hedendaagse opvoeder.