De tuinman

Haar anesthesist bezorgt Rascha Peper een heerlijke trip, maar ziekenhuisbezoeken blijven vooral een oefening in nederigheid.

Illustratie Annemarie van Haeringen

Het ging even niet zo goed met me. Spoedopname in het ziekenhuis. Daar lig je opeens onvoorbereid dagenlang aan een infuus op een vierpersoonszaaltje. Op de maag-darm-leverafdeling in mijn geval, dus u mag er zelf het gepruttel en geborrel, de scheten, boeren, oprispingen en alle varianten gekots bij bedenken, en de bijbehorende geuren. De ramen kunnen of mogen niet open, maar de verplegers lopen wel de hele dag de gordijnen rond de bedden open te trekken, dat is overzichtelijker voor ze.

Het liggen in een ziekenhuis dient als een oefening in nederigheid, inschikkelijkheid en geduld opgevat te worden. Van je eigen planning komt niets meer. Het rooster van het ziekenhuis gaat boven alles. Wil je douchen? De zuster is nu niet beschikbaar om je pyjamajasje van de infuusslangen af te halen, er is werkoverleg; over een uur komt ze terug. De dokter spreken? Die komt vanmiddag weer. De slapeloze nacht, waarin een opstandige medepatiënt de hele zaal op zijn kop gezet heeft, even met een hazenslaapje compenseren? Daar komen de dochters van de opstandige, compleet met wandelwagens met peuters, net hun vader luidruchtig vermanend toespreken. Geuren van zelfgemaakte couscous, die ze hem intussen voeren, trekken over de zaal.

Op een ochtend waarop ik als een grauwe dweil in bed lig, om me heen louter gesteun en onbehagen, treedt plotseling met energieke stap en fladderende groene jas een tuinman binnen. Jaar of vijftig, bruinverbrande kop – geen vakantie- of zonnebankbruin, maar het bruin van de hele dag lekker buiten werken – een groene zakdoek (meen ik) om weerbarstige peper-en-zoutkrullen geknoopt. Hij beent op me af, grijpt mijn hand in zijn reusachtige knuist, lacht me zonnig toe en stelt zich voor als mijn anesthesist.

„Ik ga morgenochtend het mooiste tripje voor je verzorgen dat je ooit gemaakt hebt”, kondigt hij aan. „Heerlijk. Je zult zien: je wilt nog eens bij me terugkomen.”

Maar zijn er soms nog vragen? Ja, die zijn er wel, want ik heb de hele dag niets anders te doen dan me kleinzielige zorgjes liggen maken over die operatie. Ik besluit mijn oerangst van de operatiepatiënt maar eerlijk te bekennen: ik ben bang dat ik, al zijn anesthesie te spijt, de ingreep toch zal voelen. En hoe moet ik dat kenbaar maken als ik daar uitgeteld lig?

De tuinman buldert van het lachen, alsof ik een goeie bak vertel. „Maar dat gebeurt nu juist niet, want daar zorg ik voor!” is het enige wat hij hoeft te zeggen. Alle angst vloeit uit me weg. Als een kind ben ik gerustgesteld. Dat gebeurt niet, want daar zorgt hij voor.

De tuinman heeft niets te veel beloofd. Heerlijke trip. Maar tegen de avond lig ik weer slap, moe en met pijn mijn bijdrage te leveren aan het gepruttel en gekots op de drukke afdeling. Ik heb het intens koud, maar kruiken en wollen dekens bestaan hier niet. De dokter heeft geadviseerd nog ‘een dagje bij te komen’ in het ziekenhuis. Bijkomen in het ziekenhuis? Wat bedoelen ze daarmee?

Het is tegen achten als mijn man me in een rolstoel zet, naar een taxi rijdt en naar huis brengt. In mijn eigen, stille slaapkamer, bij het open raam waardoor de geur van de kamperfoelie op het dakterras binnendrijft, krijg ik een stukje gember (het enige waar mijn begeerte naar uitgaat), en val met de blij verraste katten op de deken in een diepe slaap.

Helaas zal de voorspelling van de anesthesist, dat ik nog een keer bij hem terug wil komen, bewaarheid worden. Ik wil niet zozeer, maar het moet. Ik heb daarbij maar één verzoek aan de oppermachtige planners in het ziekenhuis: geef me die tuinman dan weer.