De pijn van het vissen

Ik heb een vispas, maar vissen doe ik zelden. Ik ben een bijzonder slechte visser. De afgelopen vijfentwintig jaar heb ik geen vis meer gevangen. Toch loop ik af en toe met mijn hengel, een tuigje met dobber, een zakje witbrood en mijn vispas naar de kade vlak achter mijn huis. Daar zit ik dan een uurtje, het liefst op een windstille ochtend als de zon net opkomt en het langzaam warmer wordt.

Vorige week discussieerden in een hotel in Berg en Dal viskwekers, onderzoekers, beleidsambtenaren en dierenbeschermers over de vraag of vissen pijn kunnen voelen. De conclusie: ‘Vissen voelen pijn, maar onduidelijk is hoeveel.’

Vissen zijn dus net mensen?

Gert Flik, hoogleraar organismale dierfysiologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, stelt: „Het zijn glibberige beesten, hun aaibaarheid is bijna nul, ze zijn koudbloedig en verblijven in een andere omgeving. Daardoor roepen ze weinig sympathie op. Bij angst of stress hebben vissen geen herkenbare mimiek, ze schreeuwen niet, en ze zijn ook nog moeilijk individueel te onderscheiden.”

Eigenlijk vinden we het niet zo erg dat een vis pijn heeft.

Toen ik laatst aan de kade zat, vroeg een vrouw me of ik dat lekker zou vinden, een haak door mijn lip. De vrouw had piercings door haar beide oren, neus, wenkbrauwen en tong. Die laatste zag ik pas toen ik haar vroeg of dat pijn had gedaan, waarna ze haar tong uitstak en zei: „Alleen deze.”

Ik haalde de dobber op. Het bolletje witbrood was verdwenen. Dat aas valt er heel snel af en dat doen de vissen niet, dat gaat vanzelf. Driekwart van de tijd vis ik zonder aas. Vissen gaat niet om het vangen. Vissen gaat niet over pijn. Vissen is pijn. Is dat al eens onderzocht? De pijn van het vissen schuilt in het wachten, de stilte, de eenzaamheid, en in je gedachten die zich concentreren rond de dobber en even lijken te verdwijnen, maar die later onherroepelijk terugkomen. Vissen is vechten tegen jezelf.

In The Old Man and the Sea van Ernest Hemingway vangt een oude man na vierentachtig dagen niets te hebben gevangen een vis die te groot voor hem is. De visser knokt met de vis, maar vooral met zichzelf. Hij staat op het punt zijn strijd op te geven. „Hij was nu stijf en pijnlijk, en zijn wonden en alle te veel ingespannen delen van zijn lichaam deden pijn van de nachtkou. Ik hoop, dat ik niet meer hoef te vechten, dacht hij. Ik hoop toch zo, dat ik niet meer hoef te vechten.”

Marcel van Roosmalen schrijft de komende vijf weken columnsvoor Panache, de satirepagina van nrc.next (achterop). Jan van Mersbergen vervangt hem op deze plek.