Toptijdschrift: pottenkijkers niet gewenst

Wetenschap in uitvoering De academici die de Nature-redactie bevolken, doen zelf geen onderzoek meer. ‘‘Elke dag krijgen we het beste onderzoek ter wereld voorgeschoteld.” Sander Voormolen

Eind juni, de periode waarin mediabedrijf Thomson Reuters de jaarlijkse ranglijsten van wetenschappelijke tijdschriften bekendmaakt, stijgt de spanning op de redactievloer van Nature in Londen.

In 2010 beleefde het blad een all time high impactfactor van 36,101, hoger dan ieder ander algemeen wetenschappelijk blad. “Dat kan alleen nog maar naar beneden gaan”, vreest Ritu Dhand, verantwoordelijk voor de afdeling levenswetenschappen (biologie en geneeskunde) binnen Nature. Ze wordt er flink zenuwachtig van: “Ik heb maar even vrij genomen in de week dat de nieuwe cijfers bekend worden.”

Twee weken later blijkt dat Dhand zich zorgen heeft gemaakt om niets. In 2011 steeg het waarderingscijfer van Nature verder naar een nieuw record: 36,280. Wéér beter dan Science, Nature’s grote Amerikaanse concurrent, die in het afgelopen jaar zelfs iets zakte van 31,364 naar 31,201.

“De impactfactor is echter betekenisloos als rapportcijfer voor de kwaliteit van de wetenschap die in het blad staat”, zegt oudgediende Karl Ziemelis, hoofd van de afdeling natuurkunde, die in 1992 bij Nature kwam werken. De impactfactor geeft aan hoe vaak artikelen van een tijdschrift gemiddeld door anderen geciteerd worden. Het getal is bedoeld om objectief in beeld te brengen hoe belangrijk collega-wetenschappers de publicaties vinden, maar per vakgebied kan de score behoorlijk uiteenlopen; medische en biologische publicaties halen de meeste citaties. Over het algemeen is de rush to publish wat minder binnen de afdeling van Ziemelis, waarbinnen behalve natuurkunde ook sterrenkunde, wiskunde, paleontologie, chemie en aardwetenschappen vallen.

“Ik maak wel eens de grap dat het mijn missie is om de impactfactor van Nature omlaag te halen”, zegt Ziemelis. Onder zijn leiding groeide het aandeel natuurkunde in het blad in twintig jaar tijd van een kwart naar eenderde. “We zijn nu sterk in de fysica, maar toen ik begon was Nature daar lang niet zo groot in”, zegt Ziemelis. “We hebben nu meer redacteuren gekregen en die zijn flink gaan lobbyen in het veld om wetenschappers aan te moedigen hun onderzoek bij ons aan te bieden. Als het ons alleen zou gaan om de impactfactor dan zouden we die makkelijk verder kunnen opkrikken door geen astronomie meer te nemen. Dat zou de afdeling marketing wel blij maken. Maar we willen een uitgebalanceerd blad maken, dat de wetenschap in zijn volle breedte bestrijkt.”

Nature, opgericht in 1869, heeft een oplage van 51.096 exemplaren. Dat lijkt heel weinig voor een mondiaal blad, maar de meeste lezers (hoofdzakelijk wetenschappers) hebben geen persoonlijk abonnement. Ze lezen het blad via de bibliotheek van hun universiteit of onderzoeksinstelling. Uit lezersonderzoek blijkt dat ieder Nature-exemplaar gemiddeld door 8,4 mensen gelezen wordt, wat neerkomt op 429.206 lezers van het papieren blad. Online is de lezerskring nog veel groter: iedere maand surfen meer dan 1,8 miljoen unieke bezoekers naar de Nature-website. De lezers van het Britse wetenschapsblad komen voor iets meer dan de helft uit Noord-Amerika en voor bijna eenderde uit Europa.

Het tijdschrift bestaat uit twee delen: voorin een journalistiek gedeelte met nieuws uit de wereld van de wetenschap, en achterin een sectie met oorspronkelijke wetenschappelijke artikelen die in peer review beoordeeld zijn. De redacties van de first half en de second half werken strikt gescheiden. Het nieuwsgedeelte wordt het meest gelezen, maar zijn roem dankt Nature vooral aan de second half, waarin klassiekers hebben gestaan, zoals de ontdekking van de dubbele helixstructuur van DNA door James Watson en Francis Crick.

Wetenschappers van over de hele wereld sturen hun manuscripten in vertrouwen naar Nature, ervan uitgaand dat er zorgvuldig mee wordt omgesprongen en andere wetenschappers niet met hun resultaten aan de haal gaan. Er is Nature veel aan gelegen dat vertrouwen niet te schaden. Dat er zomaar een dagbladjournalist het Heilige der Heiligen betreedt, maakt de redactieleden wel een beetje nerveus. De persvoorlichter begeleidt de journalist daarom meteen naar een apart kamertje, waar hij de redacteuren mag interviewen. De fotograaf mag onder geen beding close-up foto’s op de redactievloer maken. Er mocht eens per ongeluk in een hoekje van het beeld een manuscript te zien zijn.

Nature worstelt met openheid. Aan de ene kant wil het blad transparant zijn en laten zien dat het geen verborgen agenda heeft, maar aan de andere kant zijn pottenkijkers niet gewenst. Bedoeld of onbedoeld lijkt het redactiegebouw wel een vesting, met hoge ramen die geen inkijk bieden. Van binnen blijkt het bakstenen gebouw, dat vroeger een loods was van een bottelfabriek, grondig onderhanden genomen door moderne architecten. Daglicht komt nu binnen door een ‘kloof’ die dwars door het gebouw en alle verdiepingen snijdt. Talrijke loopbruggen verbinden de verschillende afdelingen.

Het kantoor verschuilt zich anoniem in een armoedig straatje achter het drukke trein- en metrostation van King’s Cross. Aan de overkant zit een American Car Laundry, waar Londense middenklasse auto’s met de hand worden gewassen en gepoetst door een ploegje immigranten. Ernaast is een rommelig parkeerterrein omzoomd door een brokkelige betonnen muur met prikkeldraad erop. Dat hier het belangrijkste nieuws op het gebied van wetenschap vandaan komt, verwacht je niet.

De redacteuren van Nature hebben het maar voor het uitkiezen, zo veel inzendingen ontvangen ze. Ze kunnen het zich daardoor veroorloven “alleen het beste van het beste” te nemen, zegt Ritu Dhand die wekelijks 130 tot 150 nieuwe manuscripten binnenkrijgt. Ze leest de titels en de samenvattingen, en verdeelt ze dan over de veertien redacteuren, ieder met zijn eigen expertise. De editors beoordelen ieder acht tot tien manuscripten per week en sturen er dan twee tot drie uit naar peer reviewers in het vakgebied. “Het grootste deel van de artikelen wordt dus hier in huis al afgewezen”, zegt Dhand, “En op basis van het commentaar van de peer reviewers valt nog eens de helft van de papers af. Uiteindelijk haalt 10 procent de eindstreep.”

Bij Ziemelis hetzelfde beeld: hij ontvangt elke week 50 tot 70 manuscripten, waarvan ook maar eenderde doorgaat naar peer reviewers. De kans dat een inzending Nature haalt is ook hier een op tien.

Gemiddeld plaatst de afdeling natuurkunde vijf tot zes artikelen per nummer, soms maar drie, soms ook acht of negen. Ziemelis: “Ieder jaar krijgen we een budget van papier waaraan we ons moeten houden. Ritu is afgelopen jaar ver over het hare heengegaan, maar ik zat eronder. Samen komen we er wel uit.”

Het felst begeerde plekje in Nature is zonder meer de omslag, zegt art director Kelly Krause. “Je hebt het pas echt gemaakt in de wetenschap als je op de voorpagina staat, vinden veel wetenschappers.” De omslagillustratie is voor haar het wekelijkse pièce de résistance, waar ze heel trots op is. “We moeten er voor zorgen dat het omslag er dynamisch uitziet, niet saai en feitelijk als wetenschappelijk onderzoek. Auteurs leveren soms zelf al prachtige suggesties bij hun manuscript, waar wij heel weinig meer aan hoeven doen. Maar vaak komt het erop aan dat je oog hebt voor de ruwe diamanten die erin zitten. Ik ben als een van de weinigen hier niet wetenschappelijk opgeleid, en eigenlijk werkt dat in mijn voordeel. Ik hoef niet bang te zijn om domme vragen te stellen om dingen duidelijk te krijgen. ”

Dhand heeft wel gemerkt dat de druk om in Nature te publiceren de laatste jaren is toegenomen. Universiteiten in Zuid-Amerika en Singapore hebben een publicatie in een toptijdschrift als voorwaarde gesteld voor mensen die in aanmerking willen komen voor een hoogleraarsfunctie. Promovendi in China, Zuid-Korea en Turkije krijgen een premie als zij erin slagen in een voornaam tijdschrift te publiceren.

Dhand vindt het een bedenkelijke ontwikkeling. “Bij biologen tellen sollicitatiecommissies het aantal publicaties van het rijtje Nature, Science, Cell op iemands cv. Maar dat vertelt je niet per se of die persoon ook een goede wetenschapper is, die goed is in het schrijven van onderzoekersvoorstellen, in onderwijzen of mensen in het lab motiveren. Het is veel te gemakzuchtig om mensen te beoordelen op hun publicatielijst. Ik kan het weten: wij wijzen dagelijks artikelen van goede wetenschappers af.

“Sterker nog: de helft van alle artikelen wordt niet afgewezen omdat het slecht onderzoek is, maar simpelweg omdat het geen echte Nature-papers zijn: niet baanbrekend genoeg, geen topwetenschap. Het is te simpel om iemands kwaliteit af te meten aan het aantal toppublicaties, maar dat is wel waar we tegenwoordig zijn aangeland.”

Het kan haast niet anders of de redacteuren worden wel eens lastiggevallen door wetenschappers die koste wat het kost in Nature willen. Dhand zucht: “Op dit niveau zijn er gelukkig maar weinig mensen die echt vervelend zijn, ze tekenen hooguit formeel bezwaar aan. Maar er zijn inderdaad figuren die je blijven bellen – schrijf dat maar liever niet op, want voor je het weet roep ik iets over mezelf af!”

Nature wijst ook wel eens ten onrechte iets af, geeft Dhand onmiddellijk toe. “Fameuze missers waren het afwijzen van de publicatie van de Duitse biochemicus Hans Krebs in 1937, waarin hij voor het eerst de citroenzuurcyclus beschreef, een ontdekking die hem later de Nobelprijs opleverde. Ook het wetenschappelijke artikel over de PCR, de techniek die voor een revolutie in het DNA-onderzoek zorgde en waarvoor Kary Mullis de Nobelprijs kreeg, kwam niet door de eerste ronde bij Nature. Daar hebben we natuurlijk spijt van als haren op ons hoofd, maar we proberen ervan te leren en weer verder te gaan.”

En recente missers? Dhand schatert. “Haha. Natuurlijk zijn die er ook, maar daarover mag ik niets vertellen! Vraag het de onderzoekers die het trof, die zullen er misschien graag een boekje over opendoen tegenover een journalist.”

Collega Ziemelis vertelt dat hij afgewezen artikelen regelmatig terugziet in andere bladen. “Soms vind ik het wel een beetje teleurstellend om te zien dat auteurs hun artikel dan gewoon in dezelfde vorm ergens anders aanbieden, kennelijk zonder zich iets aan te trekken van het commentaar van onze reviewers. Dan hadden ze toch op zijn minst die punten kunnen meenemen?”

Omgekeerd gebeurt het ook dat Nature een manuscript ontvangt dat bijvoorbeeld eerder bij Science werd aangeboden. Dat blijkt soms als Nature bij toeval dezelfde reviewer om zijn diensten vraagt die het stuk eerder voor Science beoordeelde. Soms ook zeggen de auteurs er al eerlijk bij dat ze het eerst elders hebben geprobeerd. Ziemelis zegt dat het hem niet beïnvloedt: “Wij nemen het voor kennisgeving aan en nemen onze eigen beslissing.”