Formatie zonder Koning

De formatie van het volgende kabinet zal een uniek karakter kennen. Niet het staatshoofd, maar de Tweede Kamer zelf zal de informateur of de formateur aanwijzen, in een openbare vergadering. Een Kamermeerderheid, nog onwetend van de latere val van het kabinet-Rutte, heeft in maart besloten om de koningin buiten het formatieproces te houden. Daar hoefde geen wetswijziging aan te pas te komen. In de Grondwet is niets over de formatie geregeld. Hij kent de Koning geen rol toe. De Kamer kon volstaan met het wijzigen van haar Reglement van Orde.

De discussie over het buitenspel zetten van de koningin is in deze verkiezingscampagne in enkele kranten en andere media niettemin opnieuw opgelaaid. Vooral door toedoen van de tegenstanders van deze vernieuwing. Zoals VVD-lijsttrekker Rutte, die liet weten na de verkiezingen toch liever bij de koningin op de thee te gaan. Dat staat hem vrij – iedereen mag de adviseurs raadplegen die hem of haar goeddunken. Maar meer betekenis dan dat zal deze visite van de huidige premier niet hebben als de meerderheid van de Kamer vasthoudt aan haar eigen besluit.

Al in 1969 stelde een staatscommissie in meerderheid de gekozen formateur voor – de commissie Cals/Donner, van wie laatstgenoemde de vader van de huidige vicepresident van de Raad van State was. In 1971 nam de Tweede Kamer de motie-Kolfschoten aan, waarmee zij zichzelf de mogelijkheid verschafte om de formateur voor te dragen aan de koningin. In de praktijk kwam het er niet van. Het dit jaar vernieuwde reglement kent wel een dwingend karakter en laat het ongekozen staatshoofd buiten de formatie; dat zijn de grote verschillen met de motie-Kolfschoten.

Of deze wijziging het slotstuk is van de al zo lang voortslepende discussie over staatkundige vernieuwing, is de vraag. Het nieuwe artikel – 139a – voorziet bijvoorbeeld niet in de vraag wat er dient te gebeuren als de Kamer er in meerderheid niet uitkomt. Of als de beoogde (in)formateur de opdracht weigert. Er zijn einden opengelaten. De nieuwe Tweede Kamer, die op 12 september wordt gekozen, zal vermoedelijk leerzame ervaringen opdoen met de nieuwe situatie. Niet ongewoon in Nederland waar zoveel van het staatsrecht ongeschreven blijft, wat een pragmatische – of opportunistische – omgang ermee mogelijk maakt.

Niettemin: wat in andere democratieën kan, wat in Nederland in de provincies en de gemeenten eveneens lukt, moet hier op nationaal niveau ook mogelijk zijn. Dat een college of kabinet louter wordt geformeerd op basis van de stappen die de gekozen volksvertegenwoordiging zet en de besluiten die zij openbaar neemt.

Hoewel het wel wenselijk is, zal de nieuwe procedure niet vanzelfsprekend tot een snellere formatie leiden. Het record dat het tweede kabinet-Beel in 1958 vestigde – het kwam in tien dagen tot stand – zal ook dit jaar niet worden gebroken. Zeker niet als de kiezer, zoals te verwachten is, het parlement opnieuw zal splitsen in diverse moeilijk te verenigen minderheden.

Evenmin hoeft iemand de illusie te koesteren dat de grotere openheid bij de formatie, dankzij de publieke rol van de Tweede Kamer, tot afbraak van de achterkamertjes zal leiden. Sterker nog: het informele overleg zal ook dan onmisbaar zijn. Het ligt voor de hand dat dit al de dag na de verkiezingen een aanvang neemt, als het al niet eerder gebeurt. Daar is niets op tegen: aan vrijwel elk besluit van de Tweede Kamer gaat beraad ‘achter de gordijnen’ vooraf. Zolang er daarna maar in het openbaar verantwoording wordt afgelegd en de formele besluiten publiekelijk worden genomen.

De logica gebiedt dat de (in)formateur degene wordt die de lijsttrekker was van de partij die de meeste kiezers achter zich heeft gekregen. Laat hem of haar het voortouw nemen en krijgen. Dat is ook een gebaar naar de kiezer, die na 12 september moet afwachten wat er met zijn stem gebeurt. De Tweede Kamer hoort haar verantwoordelijkheid te nemen. Als de Kamer alsnog het staatshoofd moet inschakelen, geeft zij zichzelf een brevet van onvermogen.