Willen blijven en toch weggaan

Mirjam Boelsums Foto Alex Koeleman

We bevinden ons in een villawijkje in Jacaraípe, Brazilië, op het heetst van de dag. De bewoonster van een van die huizen staat op het punt naar gitaarles te gaan, in een naburig dorp. Als ze in haar auto wil stappen, voelt ze ineens een arm om haar nek. Ze wordt achterin de auto geduwd en door twee mannen ontvoerd.

Mirjam Boelsums weet het in het openingsverhaal van Dronk, haar derde boek, zo te formuleren, in zulke heldere, indringende zinnen, dat je je meteen begaan voelt met het lot van deze vrouw met haar vier honden. Terwijl de ene man haar onder schot houdt, rijdt zijn metgezel de auto het binnenland in. Wat gaat er gebeuren? Verkrachting? Mishandeling? Een dodelijk schot?

Ik kan alvast verklappen dat het bij een roofoverval blijft en de vrouw het er dus levend afbrengt. Maar ze komt wel tot het inzicht dat er iets moet veranderen in haar leven. Minder yoga-oefeningen, meer familiebezoek, zo laat zich dat inzicht ongeveer samenvatten. Ze wentelt zich niet in slachtofferschap. ‘Misschien is het allemaal wel mijn eigen schuld’, denkt ze. ‘Misschien is alles altijd wel je eigen schuld.’

We zijn hier ver afgeraakt van het 17-jarige meisje uit Slangen aaien, de roman waarmee Boelsums in 1998 debuteerde en die haar een nominatie opleverde voor de Gouden Strop. Het meisje was getuige van de verdrinkingsdood van een van haar leraren, maar wees elke aansprakelijkheid hiervoor van de hand.

Wijzer

De verhaalfiguren van Boelsums zijn in de tussentijd niet alleen wat ouder geworden, maar ook net iets wijzer. Ze zijn nog steeds eigengereid en eenzelvig, net als het meisje, maar hebben ook oog voor hun eigen beperkingen en tekortkomingen.

Je kunt, zoals de man in het verhaal ‘Oerbiet’, wel een politie-uniform dragen, maar dat maakt je nog niet tot een onbetwistbare autoriteit. Je kunt je, zoals de vrouw in het verhaal ‘Oesters’, wel voornemen om nooit verliefd te worden op een getrouwde man, omdat je niet wilt stoken in een huwelijk, maar soms gebeurt dat toch gewoon. Je kunt je, zoals de echtgenote in ‘De volgende afslag’ wel vast voornemen om weg te lopen, om ergens anders opnieuw te beginnen, maar in de praktijk kom je niet zo gemakkelijk van iemand af.

Of neem het laconieke verhaal ‘Zijn hond’. Daarin maken we kennis met een wiskundige die al jaren thuis aan zijn proefschrift zit te werken, terwijl zijn vrouw de kost verdient. Hij is van slag omdat hij, samen met zijn twee zoons, de overleden hond heeft moeten begraven, net nu zijn vrouw een paar dagen weg is.

‘Andrea (...) zat in Italië’, lezen we. ‘Waar precies wist hij niet. Ergens in de buurt van Milaan, daar ging ze vaker heen voor haar werk. [...] Als hij zich een voorstelling probeerde te maken, zag hij Andrea met andere congresgangers bij elkaar zitten op een van de hotelkamers, whisky drinkend uit kleine flesjes. Hij wilde ook wel whisky.’

Maar hoe kan het dat haar naaste collega niet eens weet dat zij naar een congres is? Ìs ze eigenlijk wel in Milaan?

Hij weet genoeg. ‘Mijn vrouw bedriegt me’, zegt hij een paar keer tegen zichzelf. Zijn conclusie is dat niemand te vertrouwen is, als het erop aankomt, ‘zelfs je eigen vrouw niet’.

Boelsums laat mooi zien aan welke tegenstrijdige emoties de man vervolgens ten prooi valt. Hij wil weglopen, maar ook blijven. Hij wil haar tot de orde roepen, maar het hele geval ook doodzwijgen. Hij koestert wraakgevoelens, maar mag er ook weer niet aan denken dat haar iets ergs zou overkomen. Als hij, onder invloed van een halve liter whisky, een woeste nacht beleeft met een toevallige voorbijgangster, sterkt hem dat juist in de gedachte dat zijn huwelijk in stand moet blijven.

Jungle

Boelsums moet het hebben van van de nuance, het innerlijk conflict, de eindeloze zelftwijfel. Daarom vallen de kortste verhalen in deze bundel wat tegen en zijn de langste het meest overtuigend.

Als ik eerlijk ben had ik het liefst een hele roman gewijd gezien aan die sympathieke wiskundige, aan die eenzame gitaarspeelster, of aan de interessante familiegeschiedenis waarmee de bundel in stijl besluit. Ooit, in 1913, koos oudoom Jo Boelsums vanaf Den Helder het ruime sop, om na een tussenstop in Argentinië, in de jungle van Brazilië te eindigen. Hij liet een enorme ‘fazenda’ na, een sprookjesachtige villa waar Boelsums op uitnodiging van haar Braziliaanse naamgenote, ongeveer een eeuw later haar verre familie zou ontmoeten.

Aanvankelijk wentelt ze zich in het warme bad van deze nieuwe familieclan en doet ze niets liever dan met de neven en nichten rondhangen op de trappen van het grote huis. Totdat het haar na een paar weken ineens te veel wordt. ‘Ik verlang ernaar alleen te zijn, om me los te maken uit deze kluwen. Wat doe ik hier in dit spookhuis, deze afgetakelde villa met dolende familieleden?’

En zo is de cirkel weer rond. De Mirjam Boelsums uit het autobiografische slotverhaal moet zich bevrijden uit de Braziliaanse familiekluwen om het openingsverhaal te kunnen schrijven over de villabewoonster in Jacaraípe, die niets liever wil dan opgaan in een familieverband.

Mirjam Boelsums treedt zaterdag a.s., 1/9, om 12 uur op op Manuscripta, in de Westergasfabriek in Amsterdam.