Wegduiken voor ontmaskering

De roman Mooie Antonio dankt zijn wereldfaam aan de verfilming met Marcello Mastroianni. In een nieuwe vertaling maakt ook het boek nog altijd diepe indruk.

Claudia Cardinale en Marcello Mastroianni in Il bell’Antonio (1960)

Mooie vrouwen zijn overal, zo zeldzaam zijn ze niet. En toch zorgen ze voor een algemene obsessie, zowel voor mannen als voor vrouwen. Hoe vaak steunt een roman, een film, een gedicht, een schilderij niet op een mooie vrouw?

Mooie Antonio, een beroemde Italiaanse roman uit 1949 die opnieuw vertaald is, gaat over een ongekend mooie man. Aanvankelijk lijkt dat net zoiets als een mooie vrouw. Net als zij is hij onweerstaanbaar, voor beide seksen – hét kenmerk van echte schoonheid. De vrouwen voelen zich door zijn aanwezigheid weliswaar overweldigd maar zijn bij hem ook op hun gemak, lezen we. En de mannen zijn dermate door hem geïmponeerd dat jaloezie niet bij hen opkomt, eerder spiegelen ze zich zacht aan hem, in een soort plaatsvervangende eigenwaan. Maar van Antonio’s olijfkleurige huid mag ‘een spontane bekoring’ uitgaan en zijn wimpers mogen ontroeren doordat hun schaduw ‘een suggestie van tranen’ veroorzaakt, denk niet dat hij mooi is op een meisjesmanier. Je wilt hem wel pakken maar niet over zijn bolletje aaien. Maar hoe stel je je zo iemand voor?

In 1960 werd deze roman verfilmd, met Marcello Mastroianni in de hoofdrol. Een film kan zich hinderlijk tussen lezer en boek plaatsen. Deze niet. Denk aan Mastroianni en je weet wat de bedoeling is. Een katermooie man, met alles d’rop en d’ran, dat om te beginnen. Met een stem die streelt en een blik die iedereen zijn volle aandacht belooft. Hij is mooi, sorry, hij kan er ook niks aan doen. Zoiets.

Prachtige pen

Vitaliano Brancati (1907-1954), die Mooie Antonio schreef, had geen Mastroianni tot zijn beschikking. Hij deed het met woorden en slaagde met glans, doordat hij gebruik kon maken van een prachtige pen en kon putten uit een fantasie die van alles een versje weet te maken. Hij definieert Antonio’s viriele schoonheid door hem bijvoorbeeld te vergelijken met ‘een ober van een Siciliaans café op een augustusmiddag’, zo een die aardig is, maar te lui om je je bestelling te brengen. Je ziet het voor je, zo’n charmante jongen die soepel geniet van zijn eigen effect, en ja, dat komt in de horeca uitstekend tot zijn recht. Inderdaad, zo’n air heeft de mooie man. Mooie vrouwen moeten ook mooi doen. Mooie mannen hoeven het alleen maar te zijn. Althans, dat denken ze.

Maar schoonheid schept verwachtingen, juist van mannen. En voldoen ze daar niet aan dan wordt hun schoonheid onverdraaglijk. Dat vertelt deze roman, door die onweerstaanbaar mooie Antonio op te zadelen met een groot geheim. Antonio houdt zich bij vlagen angstvallig op de vlakte. Uit verlegenheid, naar het lijkt. Maar er is iets anders.

Brancati geeft het geheim op een derde van zijn boek prijs. Ik onthul het nu. Want wie het kent, leest een mooier boek dan wie het niet kent. Bovendien kan dan vanaf pagina 1 worden gevolgd hoe Brancati zijn Antonio even consequent als onopvallend voor ontmaskering laat wegduiken.

Antonio is volgens zijn omgeving een onvermoeibare casanova. In werkelijkheid maakt hij die reputatie niet waar. Hij is impotent. Vandaar dat hij zijn zinnen niet afmaakt, als van de een of ander de prestaties tussen de lakens ter sprake komen – en dat is vaak. Vandaar dat hij zo kan blozen. Vandaar dat hij zich opvallend gedeisd houdt in het bordeel en geen deelneemt aan het bandeloze gedrag van de notabelenkliek waartoe hij behoort. Vandaar dat hij knuffelt met zijn poedel alsof het een vrouw is. Vandaar zijn ongenaakbaarheid, zijn immuniteit voor oneerbare voorstellen, die rissen vrouwen tot wangedrag drijft. Hij trouwt, vertrouwt erop dat zijn onvermogen bedekt zal worden met de mantel der liefde. Tevergeefs. Zijn huwelijk wordt zijn waterloo.

Deze geschiedenis zou vooral curieus zijn, een satire op de operette van het Latijnse machismo, als Brancati hem niet had ingebed in het tweede onderwerp van dit boek: het kleinsteedse Italiaanse fascisme in het Siciliaanse Catania aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. De achteloze decadentie, de corruptie, de baantjesjagerij, het machtsmisbruik – Brancati beschrijft hoe de fascist alles uitdrukt in een onverzadigbare honger naar seks en vrouwen. Mussolini is mooier dan Hitler, en hij kan het ook vaker – daar is men het bijvoorbeeld roerend over eens.

Potente mannenheroïek

Antonio’s toestand in combinatie met de angstaanjagende potentemannenheroïek van Mussolini’s Italië is goed voor een verhaal dat wankelt tussen tragiek, hypocrisie en wreedheid. Die ellende licht Brancati onophoudelijk bij met prachtig geobserveerde, opgefokte gesprekken. Altijd gaat het over seks, maar niemand noemt het beestje bij de naam. Dat leidt tot een adembenemende verscheidenheid aan metaforen voor seks.

De vertaalsters, Yond Boeke en Patty Krone, hebben al een aantal wonderen verricht met Italiaanse klassiekers. Ze voelen zich ook thuis bij Brancati’s quasi-realistische stijl, zijn verbaasde spot en zijn pingpongdialogen. Schrijver en vertaalsters definiëren elk van de personages, de een nog barokker brallend dan de volgende, met een eigen geluid.

Hoogtepunten zijn, behalve de driftbuien van Antonio’s vernederde vader, de monologen vol existentiële muizenissen van zijn oom Ermenegildo – de enige die zijn situatie niet op zichzelf betrekt maar met hem meeleeft.

Het wordt augustus 1943. ‘Het bloeddorstige Europa was moe’, vat Brancati de loop van de geschiedenis samen. Catania wordt gebombardeerd en verpaupert, vol met GI’s die zich net zo liederlijk en gewelddadig gedragen als de verjaagde fascistische bazen.

En Antonio? Die is nu zo mooi ‘als een aartsengel’, maar hij verdwijnt uit het zicht ten gunste van allerlei personages, bekende maar ook nog onbekende zielen, zoals de voormalige partijsecretaris die zichzelf per ongeluk in de fik steekt. Het is of Brancati geen afscheid kan nemen van zijn roman, die daardoor uit het lood hangt.

Tot op de laatste pagina’s. Antonio droomt zijn zoveelste niet-natte natte droom. Edoardo, zijn neef en boezemvriend, corrupt als de rest maar door omstandigheden een goed mens geworden, komt terug uit een concentratiekamp. Hij bezoekt Antonio, die is inert als altijd, de naoorlogse ellende interesseert hem niet. Edoardo walgt van hem. Hij gaat naar huis. En verkracht een jong meisje. Alsof hij niet anders kan.