Voedingsbodem voor het nieuwe

In het onderzoekslab van de Amerikaanse telefoonmaatschappij AT&T zijn bijna alle grote uitvindingen op communicatiegebied geboren. Hoe was dat mogelijk?

Bill Gates zei ooit dat als hij terug in de tijd zou kunnen reizen, zijn eerste stop Bell Labs zou zijn in December 1947. Daar werd toen geschiedenis geschreven met de uitvinding van de transistor, een essentiële bouwsteen voor al onze elektronische apparatuur en daarmee voor onze moderne maatschappij. Na WO II begon voor Bell Labs een ongekende bloeiperiode: het zou uitgroeien tot de meest innovatieve wetenschappelijke organisatie ter wereld. In dit ontwikkelingslaboratorium van AT&T, lange tijd het enige telefoonbedrijf in de Verenigde Staten, werd de basis gelegd voor de communicatie- en computerrevolutie, met de transistor, maar ook de draadloze telefonie, de lichtgevoelige CCD-chip, de zonnecel, satellietcommunicatie en nog veel meer. Dat leverde zeven Nobelprijzen op, ongekend voor een industrieel laboratorium. Op het hoogtepunt werkten er meer dan twintigduizend mensen aan onderwerpen variërend van het spechtbestendig maken van telefoonpalen tot het detecteren van de achtergrondruis van de Big Bang.

Jon Gertner schreef een monumentale biografie van dit unieke lab aan de hand van een aantal kleurrijke sleutelfiguren, zoals Claude Shannon, de vader van de informatietheorie en het computerschaak, die jonglerend op een eenwieler door de gangen van het laboratorium reed. Maar boven alles gaat zijn boek over innovatie. Hoe het tot stand komt en hoe je het kunt stimuleren. Daarmee is dit boek verplichte kost voor iedereen die de groei van de kenniseconomie wil stimuleren.

Rumoer

De grootste uitvinding van het informatietijdperk kwam niet zonder rumoer tot stand. Onder leiding van Bill Shockley waren verschillende groepen onderzoekers op zoek naar een alternatief voor de onbetrouwbare en energie slurpende vacuümbuizen. Vlak voor Kerst 1947 slagen Walter Brattain en John Bardeen daarin. Hun transistor werkt als een kraan, je kunt er elektriciteit naar believen mee aan- en uitschakelen en regelen.

In het grootste geheim wordt patent aangevraagd. Alleen het topmanagement wordt ingelicht. Toch is niet iedereen blij met het resultaat. Zo ziet Bill Shockley eeuwige roem aan zich voorbijgaan, omdat hij niet als uitvinder te boek staat. In de week tussen Kerst en Nieuwjaar trekt hij zich terug op een hotelkamer en ontwikkelt – op papier weliswaar – een alternatieve transistor, zonder zijn collega’s daarin te kennen. Hij confronteerde hen daar pas een maand later mee. In wetenschappelijke kringen is zoiets onacceptabel, maar hij komt ermee weg, vooral omdat zijn model in de praktijk beter voldoet. Samen met Brattain en Bardeen krijgt hij in 1956 dan ook de Nobelprijs uitgereikt.

Shockley is ongetwijfeld een van de kleurrijkste figuren in het boek. Uit frustratie over het gebrek aan steun voor zijn plannen op het gebied van halfgeleiders verlaat hij Bell Labs om een eigen bedrijf op te richten. Dat spat weliswaar snel weer uiteen, maar vormt de voedingsbodem voor de latere chipmaker Intel en daarmee de grondslag voor het ontstaan van Silicon Valley. Omstreden blijft hij tot aan zijn dood, bijvoorbeeld door zijn eugenetische denkbeelden, die onder meer aan het licht treden in zijn streven naar een spermabank voor Nobelprijswinnaars.

Aan de hand van dit voorbeeld en andere maakt Gertner duidelijk hoe een aantal visionairen in de leiding van het laboratorium een voedingsbodem creëerde waar nieuwe dingen móesten ontstaan: zet getalenteerde en creatieve mensen bij elkaar, denkers en doeners, wetenschappers en ingenieurs, laat ze ideeën uitwisselen en geef ze de vrijheid en vooral de financiële steun om aan problemen te werken die zij zelf interessant vinden. Die vrijheid is veel waard. In ruil daarvoor nam bijvoorbeeld iedereen het voor lief dat alle inkomsten uit octrooien naar het bedrijf gingen: elke nieuwe medewerker kreeg bij indiensttreding een biljet van een dollar uitgereikt, als enige betaling voor alle toekomstige uitvindingen.

Wel kon AT&T het zich veroorloven om breed te investeren in onderzoek, omdat ze op de telefoniemarkt een monopolie hadden, en zich verzekerd wisten van inkomsten. Niet voor niets viel de neergang van Bell Labs samen met het opsplitsen van AT&T, begin van de jaren tachtig, in een aantal dochtermaatschappijen, de Baby Bells, waarmee het bedrijf zijn monopoliepositie kwijtraakte.

Waar Gertner goed analyseert (en ook smakelijk uiteenzet) hoe al de successen tot stand kwamen, trekt hij minder lering uit de toch vele mislukkingen en missers: Bell Labs ontwikkelde de voorloper van de laser en de eerste zonnecel, maar deed daar vervolgens niets mee en liet anderen profiteren.

Mislukking

Ook zag het niets in de mogelijkheden van communicatie via lichtpulsen in glasvezelkabels en zette het volledig in op microgolven, wat op een totale mislukking uitliep. Wat meer aandacht hiervoor had wellicht nog tot andere verrassende inzichten over innovatie kunnen leiden. Maar ook nu al laat The Idea Factory al zien hoe funest het huidige topsectorenbeleid van de regering is: om aansprekende resultaten te bereiken heb je een kritische massa nodig en die krijg je door het stimuleren van onderzoek in grote bedrijven en niet in het midden- en kleinbedrijf. Sowieso is met de huidige nadruk op het tevreden houden van de aandeelhouders zo goed als al het fundamenteel onderzoek in de industrie gesneuveld; dat levert nu eenmaal geen direct voordeel op.

Maar ook de universiteiten staan onder druk en lopen steeds meer aan de leiband van de industrie in het doen van toegepast korte-termijn-onderzoek. Als er een les is die je uit de geschiedenis van Bell Labs kunt leren is hoe funest dat alles is voor werkelijke innovatie.

Toen twee onderzoekers van Bell Labs in 1969 een betere lichtgevoelige chip ontwikkelden, wisten ze niet wat voor revolutie ze daarmee in de 21ste eeuw zouden ontketenen via de digitale fotografie. En het zal een nog grotere verrassing zijn geweest dat diezelfde uitvinding hen in 2009 zelfs een Nobelprijs opleverde.