Te oud voor naschoolse opvang, te jong om alleen thuis te zijn

Zodra een kind naar de middelbare school gaat, stopt de naschoolse opvang. In plaats daarvan creëren ouders een lappendeken; van oppas aan huis tot sms-controle.

Eén dochter, Suzanne van 13 jaar, gaat naar de middelbare school. De ander, Josephine, zit op de basisschool. De jongste is te jong om vaak en lang en alleen thuis te zitten en voor de oudste is het ongezellig, vindt moeder Quirine – en eigenlijk is het ook wel een rustig idee dat er iemand is. Dus heeft ze drie middagen per week oppas aan huis.

Deze studentes halen Josephine op uit school. Suzanne komt zelf, ze heeft een sleutel. De andere twee middagen is Quirine of haar man er. Ze wil alleen over de situatie vertellen als haar achternaam niet in de krant verschijnt. „Ideaal”, noemt Quirine de oplossing met de studentes. „Zij zijn oud en wijs genoeg om voor de kinderen te zorgen.”

Maar in werkelijkheid had ze niet veel keus. Voor de jongste, Josephine, bestaat een heel systeem van wettelijk geregelde buitenschoolse opvang, inclusief kwaliteitscriteria, inspecties en vergoedingen. Voor Suzanne is er niets. Zodra kinderen naar de middelbare school gaan, kunnen ze niet meer naar de naschoolse opvang. En iets vergelijkbaars is er niet voor de kinderen in de eerste klassen van de middelbare school.

Aanstaande maandag gaat ook de kinderen in het noorden weer terug naar school. Rond de 200.000 kinderen hebben de overstap naar de middelbare school gemaakt. Voor deze kinderen moeten hun ouders dus bedenken wat ze doen als de school uit is en zij zelf nog niet thuis zijn. Steeds meer ouders hebben dat probleem.

Sinds de kinderopvang in de jaren negentig van de grond kwam, en vooral na invoering van de Wet kinderopvang in 2005, is de arbeidsdeelname van vrouwen flink gegroeid. Van de moeders werkt ruim 70 procent. De meerderheid in (kleine) deeltijdbanen, maar steeds meer vrouwen werken wekelijks 32 uur of meer. Hun kinderen bereiken nu de leeftijd dat ze niet meer naar de naschoolse opvang kunnen: de jonge tieners, oftewel prepubers.

Wat volgt, is opvang die nog het meest lijkt op een lappendeken: huiswerkklassen op school, spelen bij vriendjes, oppas aan huis (niet vergoed), en de veel voorkomende combinatie van huissleutel en sms-controle door moeders: Heb je de sultana’s gevonden? En vergeet je wiskundehuiswerk niet, ik loop vanavond de sommen nog even met je door.

Rustig is anders, ook voor ouders. Het zijn wankele arrangementen, die instorten als de oppas bijvoorbeeld ziek wordt.

Klopt de in het systeem ingebakken gedachte dat kinderen vanaf een jaar of elf, twaalf zonder toezicht thuis kunnen zijn? „Het is geen structurele oplossing”, zegt Pieter Paul Bakker, pedagoog bij het Nederlands Jeugdinstituut. Veel hangt af van de pedagogische relatie met de ouders, maar iedere middag met de sleutel naar huis – nee, geen goed idee. Incidenteel kan wel, zegt Bakker, onder bepaalde voorwaarden. Het kind moet precies weten tot hoe laat het alleen thuis is, en zijn ouders telefonisch kunnen bereiken. Ook moet er iemand fysiek dichtbij zijn waar ze heen kunnen als er iets is: een buurvrouw, de moeder van een vriendje in de straat. „Er moet een netwerk zijn waarbinnen het kind zich veilig voelt.”

Er bestaat wel tieneropvang, zegt Bakker, maar weinig. Bovendien onstaan al eerder problemen. Veel kinderen in groep 7 en 8 willen niet meer naar de naschoolse opvang. Opvang zou aantrekkelijker gemaakt kunnen worden voor die groep, zegt Bakker. „Wat nu daarentegen gebeurt, is dat door bezuiniging juist een kaalslag plaatsvindt.”

Opvang van prepubers is inderdaad een groot probleem, zegt Gjalt Jellesma. Hij is voorzitter van Boink, de belangenvereniging van ouders die kinderen op de kinderopvang hebben. „Er zijn voorbeelden van opvang waar ook kinderen van 10, 11 en 12 graag heen willen. Maar die hebben dan speciale activiteiten voor die groepen”, zegt Jellesma. „En vooral: leiders en leidsters die met deze groep om kunnen gaan.” Daar ontbreekt het volgens hem vaak aan. Hij blijft zich erover verbazen, zegt hij, „het gemak waarmee ouders zich erbij neerleggen dat de opvang van oudere kinderen niet werkt”.

Volgens Fleur Imming, woordvoerder van de Brancheorganisatie Kinderopvang, zijn ondernemers serieus bezig om de opvang voor tieners aantrekkelijker te maken. Maar ze kan geen concrete initiatieven noemen, en de branchevereniging houdt zich er niet speciaal mee bezig. De reële dreiging dat de vergoeding voor opvang sterk omlaag gaat, is een groter probleem.

Ondernemers hebben nu meer aandacht voor creatieve arrangementen waarin bijvoorbeeld op uurbasis wordt gefactureerd, om de kosten voor gezinnen zo laag mogelijk te houden. Ouders met crisisangst bezuinigen, en wie zijn kind vier middagen naar de naschoolse opvang brengt, plus wat vakantiedagen, is al snel 500 euro per maand kwijt. Daarvan krijgen ouders, afhankelijk van hun inkomen, een deel vergoed.

Er zijn natuurlijk wel weidsere vergezichten. Zowel Jellesma als pedagoog Bakker spreekt met zekere afgunst over de Scandinavische landen, waar opvang en school vaak onder één leiding staan – en dus beter op elkaar zijn afgestemd. Ook in Nederland bestaan voorzichtige initiatieven om opvang en school dichter bij elkaar te brengen. Meer sport en cultuur binnen schooltijd, en meer rust voor ouders en kinderen, is het idee. Die initiatieven kunnen er zomaar toe leiden dat de totale kosten van school en opvang stijgen, omdat per saldo meer kinderen langer opgevangen worden. In een tijd waarin het debat vooral gaat over bezuinigen en mantelzorg, is het de vraag of de huidige crèchebevolking het nog gaat meemaken.