Staat van het Theater: 'Shakespeare niet de uitweg uit crisis'

Vond Theaterfestivaldirecteur Jeffrey Meulman de taak dit jaar te zwaar voor één persoon? Dat vroeg acteur/theatermaker Walter Bart (34) voorafgaand aan het uitspreken van de Staat van het Theater – de troonrede van de theatersector die jaarlijks het nieuwe seizoen inluidt en de start is van het Theaterfestival dat de tien hoogtepunten van het afgelopen jaar nog eens op het podium brengt. Gerenommeerde prominenten gingen hem voor: Pierre Audi, Ivo van Hove, Ronald Plasterk, Joop van den Ende. Dit jaar was de beurt aan de ‘jongeren’; niet eentje, maar drie: naast Bart ook Jeroen de Man (32) en Ilay den Boer (26). Dat de drie nogal verschillen in hun ideeën over de toekomst van het theater, leidde tot ongelijksoortige en soms zelfs tegenstrijdige speeches.

Jeroen de Man trapte af met een beeldende en fantasierijke toekomstdystopie over het jaar 2069, „het eeuwfeest van de Actie Tomaat”. Tegen die tijd, voorspelde De Man, is ‘live’ optreden dood. Schouwburgen zijn allemaal hologram-megaplexen geworden, het lelijke en onverwachte is afgeschaft. Maar vier jonge, revolutionaire makers zinnen ook in die tijd op „echte ervaringen voor echte zintuigen”. Mooi was zijn pleidooi voor survival of the ‘unfittest’: de zwakken, de dromers, de onaangepasten. De samenleving en het theater hebben ze nodig, maar ze passen niet in het puntensysteem voor subsidies. Voor de gek en tegen het systeem, zo was zijn betoog samen te vatten.

Bijna daaraan tegengesteld was het verhaal van Ilay den Boer, die zich juist tot de beleidsmakers richtte. Hij pleitte voor nauwer contact tussen kunstenaars en beleidsmakers, en meer samenwerking tussen theatermakers en maatschappelijke instellingen. Den Boer speelde een PSV-fan die vertelde hoe ver zijn liefde voor de club ging, dat hij zich in de schulden stak voor PSV, en hoe hij de trainer uitfoeterde als die het verprutste. Hoe mooi zou dat zijn; theaterbezoekers die zo betrokken zijn dat ze Ivo van Hove openlijk bekritiseren na een mindere voorstelling? Zo vergezocht is het niet: in Duitsland zie je dat soort betrokkenheid van bezoekers bij hún schouwburg en hún gezelschap wel.

Bart sloot af, met een geestige en prikkelende lijst „waarheden, vragen en uitdagingen”. Hij kantte zich tegen de uitspraak dat „kunstenaars zich afhankelijk opstellen”. „Ik stel mij niet afhankelijk op, ik bén afhankelijk.” Verder wilde Bart één toneelschool vervangen door een school voor schouwburgdirecteuren. En hij stelde: „Shakespeare is niet de uitweg uit de crisis.” Ook waren volgens hem meer seksuele betrekkingen tussen politici en kunstenaars gewenst. „Rutte, doe als Sarkozy, trouw met een actrice.” En: „Carice, de sector vraagt je om een gunst.”

Herien Wensink