Oorlog

In oktober 1944 kwamen mijn ouders, mijn drie broers en ik, na een lange tocht met onze bagage op twee wrakke fietsen, aan op het adres waar de Arnhemse evacués werden opgevangen. Ik was toen negen. Danig ondervoed en bleek van vermoeidheid hing ik tegen mijn moeder aan. Er waren een paar vrouwen en een van hen zei: „Ach gut, het arme schaap.” Het waren deze zelfde vrouwen, nou ja, niet precies dezelfde, die vijftien jaar later tegen me zeiden: „Jij hebt de oorlog niet meegemaakt.”

Ik vond dat een miskenning van mijn leed, maar eigenlijk hadden ze gelijk. Ze bedoelden dat ik niet ‘echt’ geleden had in de oorlog. Ongetwijfeld heb ik honger gehad, maar daar heb ik nooit iets van gemerkt. Ik had nooit trek. Voor kinderen is eten een noodzakelijk kwaad. Dat merk ik nu aan de kleinkinderen die met moeite hun bordje leeg eten, slechts na lang aandringen van hun moeder. Ja, toetjes, daar lusten ze er wel tien van. Zo was het met mij ook. „Eet je dat niet op?!” riep mijn elf jaar oudere broer, wijzend op mijn half leeggegeten bordje suikerbietenpulp. Die wist er wel raad mee.

Iemand had een keer een zij spek op de kop getikt, ‘georganiseerd’ heette dat in die dagen. Die werd in grote haast bereid, slordig, hier en daar stak nog een varkenshaar uit het leerachtige zwoerd en het vet was griezelig roze. Toen mijn moeder een stukje afsneed en op mijn bord legde, gruwde ik zo erg van wat ik daar zag liggen dat ik begon te kokhalzen en deze traktatie weigerde te eten.

Mijn ouders en mijn broers, die hebben het zwaar gehad, vooral in de hongerwinter. Want ik wist niet beter of het was oorlog geweest, overal Duitse soldaten en gebrek aan alles. De paradijselijke toestand van vóór de oorlog kende ik alleen van horen zeggen.