In de zilverspinsels van zijn bruidssluiers

René Puthaar Foto Tatjana Daan

René Puthaar: Het wilde kind. Augustus, 77 blz. € 22,95

In 2000 debuteerde René Puthaar als dichter met de bundel Dansmuziek. Indrukwekkend daarin waren de virtuoze vormbeheersing, de lange adem en het vaardig illusionisme. Het jaar daarop is die bundel dan ook bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs.

De verwachtingen die dat wekte werden drie jaar later in Hier en daar deels waargemaakt. Storend vond ik echter dat het illusionisme nu vooral een verdwijntruc bleek. De taal werd in een deftig pronkkostuum gehesen, en daarin wandelde de dichter weg van zijn lezers. De elegante woorddeining imponeerde ook nu weer, maar tot communicatie kwam het niet. De dichter van de lichtvoetige, maar o zo dreigende dansmuziek had zich, leek mij, teruggetrokken in een toren zonder toegangspoort.

Ook in het werkelijk bestaan trok de dichter zich terug. Kort na het verschijnen van zijn tweede bundel verhuisde hij naar Frankrijk, en daar woont hij nog. ‘Ik zocht geen huis, maar een landschap,’ schreef hij in 2004 in het tijdschrift Raster. ‘Ik zocht een landschap dat geen huis kon zijn. Ik verlangde naar niets bucolisch, niets pittoresks, zomin als naar een barre woestenij. Ik zocht geen plek, want elke plek impliceert een lijst, Ik zocht, zo leek het, het gebied daarbuiten.’

Het wilde kind, Puthaars derde dichtbundel, echoot die passage tussen de regels van vers tot vers. In het ‘envoi’ van de cyclus ‘Aap Lam Wim’ geeft hij ook openlijk vorm aan het dubbelzinnige verbond tussen binnen- en buitengebied. ‘In een grauwe sluier van de hersenen,’ dicht hij, ‘overlappen ze elkaar, taal en wereld; / daar buiten is het feest in volle gang.’

De dichter heeft zich teruggetrokken, maar met een opmerkelijk gevolg. Negen jaar na Hier en daar heeft de magische imponeerlust plaatsgemaakt voor oprechte verwondering. En Puthaar blijkt gretig bereid om die verwondering met zijn lezers te delen. Dat is niet alleen een verademing – het maakt lezing van Het wilde kind tot een feestelijke ontdekkingstocht. Daarbij is het wel geboden om de ogen wijdopen te houden, want ‘makkelijke’ poëzie is dit niet.

Meekijken betekent nog niet onmiddellijk meebeleven. Daarvoor zijn Puthaars metaforen in eerste instantie te vluchtig. Hij spant ook erudiete strikken, zoals in ‘Winteroffensief Afghanistan’. ‘Een sneeuw ligt in de morgen vroeg,’ luidt de eerste regel daarvan. Voor ervaren poëzielezers is dat een citaat, maar ook de zeven volgende regels zijn dat. Puthaar nam een gedicht van J.H. Leopold en plaatste daar een 21ste-eeuwse titel boven. Eerbied en gebrek aan eerbied kruisen elkaar dan, en dat gebeurt vaker in Het wilde kind.

Nog altijd toont Puthaar zich een meester in de vorm – vooral de terzine is bij hem in goede handen. Maar soms spot hij nu met zijn ouderwetse rijmzucht (‘Spijtig, dat het rijmt’). Hij experimenteert ook met lossere vormen, zoals in ‘Een soort kind’. Dat gedicht is een readymade van horen zeggen, waarin de woorden als verstervend geluid in de laatste twee coupletten over de regels verdwalen.

Omgevingsgeluid is trouwens een frequente bron in deze bundel, ook uit de mond van Puthaars eigen kinderen. Vaderlijke verbazing leidt dan tot liefdevolle poëzie, en zo kenden we deze dichter nog niet. Het verblijf buiten de eigen taalgrond lijkt hem meer oog voor zijn directe omgeving te gunnen, en in de beschrijving daarvan is het Nederlands geen heilig instrument meer.

De verzen over de cipres en het Franse telefoonboek ‘Pages blanches’ zijn daar goede voorbeelden van. Maar linguïstische experimenteerlust – uit verwondering, niet als virtuoos bedrijf – blijkt ook elders, zoals in het gedicht ‘Vallen en opstaan’.

Op z’n best vind ik Puthaar als hij aandachtig rondkijkt, luistert en daar vorm aan geeft. ‘Het voorjaar’ is een superieur voorbeeld hiervan:

Zoals iemand in het donker vragen kan,

zelf in het zwart, niets voor ogen:

is het al licht? Komt eindelijk de zon op?

Snijdend en eenvoudig als het binnenlopen

van een kind, gezien van waar geen binnen is.

Het woord, licht, glijdt van zijn hellingen

ons dal in, alomtegenwoordig wordt het dag

en in het duister, niets voor ogen, leeft het

in de zilverspinsels van zijn bruidssluiers,

spreidt het zonder aarzelen zijn lakens uit

over het veld en gaat zichzelf te buiten

in het lichtste voorjaarslicht, alles begint.

Hoor je? Dat is wat het donker vraagt.

Een ongeboren merel luistert. In de ceder

huivert kou. Dat is wat het duister ons vertelt.

Met Het wilde kind zet René Puthaar zich vanuit zijn Franse buiten stevig in het centrum van de binnenlandse poëziekaart. De dichter is niet meer de goochelaar die weet wat er uit de hoed gaat komen. Er is nu ruimte voor zijn eigen verbazing, en daarmee ruimte voor verstilling en ontroering.