Het trage boren in harde planken

Is politiek bedrijven een vak of een roeping? Coen Verbraak stelde die vraag aan politici in een tv-serie en boekstaafde de gesprekken. Max Weber schreef er in 1919 al een essay over, dat opnieuw is vertaald. Hij hekelde de revolutionaire geest, pleitte voor verantwoordingsethiek, bezinning en afstand.

Nederlandse politici zijn redelijke mensen. Vaak hebben ze weinig charisma of ponteneur, maar aan de andere kant: echte demagogie of megalomanie kom je ook maar zelden tegen in het regeringsvak of de Kamerbankjes. Sjoemelen met halve waarheden, af en toe een studentikoze grap, hier een daar een bui, bij een enkeling een hogedrukgebied van beledigingen met kans op een klap onweer – daar blijft het zo’n beetje bij.

Dat beeld rijst ook op uit Kijken in de ziel, een bundel interviews die journalist Coen Verbraak maakte met elf Nederlandse (ex-)politici over hun vak, of roeping, en liefst over beide. De gesprekken dateren uit 2011 en werden in verkorte vorm uitgezonden op televisie.

Zelfs Rita Verdonk, leider van de aspirant volksbeweging Trots op Nederland, zegt heel nuchter dat het gaat om de ‘resultaten’ (vier maanden na het interview trad ze terug). Geen wonder dat ze Verbraaks vraag of politiek een vak of een roeping is, ook meteen vertaalt als belangstelling of zij ooit dacht: „Het is mijn roeping om minister te worden”. Nee, dus.

Ook Verbraaks andere gesprekspartners blinken uit in realisme en redelijkheid. Wordt de wijn altijd aangelengd? „Eindeloos”, zegt Wouter Bos, en zo hoort het. „Dat is de kunst van politiek bedrijven: zorgen dat je [..] eindigt met iets wat nog enigszins lijkt op wat er ooit in die fles heeft gezeten.”

Maar er zijn wel problemen. Bijna alle geïnterviewden maken kanttekeningen bij het huidige politieke bedrijf. Jan Marijnissen is er „vrij cynisch” over en zegt: „Het heil hoeven we niet te verwachten vanuit Den Haag.” Anderen maken zich zorgen om het afnemende vakmanschap van Kamerleden (Hans Wiegel), over gebrek aan idealisme en een overmaat aan carrièrisme (Frans Weisglas), over hun afstand tot de burgermaatschappij (Elco Brinkman), over de invloed van lobbyisten (Els Borst), over de inflatie van het Vragenuurtje (André Rouvoet), of over het oprukken van scoringsdrift en vluchtige „hap-slik-weg-politiek” (Nebahat Albayrak).

Verbraaks interviewbundel is een prettig leesbaar en informatief vervolg op Joris Luyendijks onderzoekje Je hebt het niet van mij, maar… , over de werking van Den Haag, maar dan nu on the record van directe hoofd- en bijrolspelers.

De naam van de Duitse socioloog valt niet, maar Verbraaks vraagstelling („Is werken in de politiek een vak of een roeping?” vraagt hij in allerlei varianten) is de inzet van een klassiek essay van Max Weber, Politik als Beruf (1919), dat nu in het Nederlands is vertaald (met Wissenschaft als Beruf). Weber muntte in dat essay, de uitgewerkte tekst van een lezing in München voor studenten, een aantal begrippen en definities die nog steeds bepalend zijn voor de politieke wetenschappen, en polemieken daarover.

Weber geeft een baanbrekende definitie van de moderne natiestaat. Dat is ‘de menselijke gemeenschap die binnen een bepaald gebied – en dat ‘gebied’ is een wezenlijk kenmerk – (met succes) aanspraak maakt op het monopolie van de legitieme toepassing van fysiek geweld’. Daarmee legde hij een principieel verband tussen de staat en geweld: dat mag uitsluitend een legitieme overheid aanwenden, in het publieke belang. Het Europa-debat anno 2012 draait nog steeds om die klassieke, territoriale staatsopvatting.

Maar ook een polemische tweedeling die nog steeds populair is (en misschien wel versleten) duikt in dit essay op, namelijk die tussen een politieke ethiek van gezindheid (Gesinnung) en een van verantwoording (Verantwortung). De eerste gaat uit van idealen en ‘goede bedoelingen’, de tweede van de effecten en (onbedoelde) neveneffecten van politiek handelen. Vooral voor ‘realistische’ liberale politici is die tweedeling een favoriet wapen geworden om ‘wereldvreemde’ idealisten de pas af te snijden. Frits Bolkestein hanteert het al jaren in zijn strijd tegen de erfenis van de jaren zestig. Uiteraard zijn het daarbij altijd andermans idealen die wereldvreemd heten, nooit de eigen ‘realiteitszin’. Die heeft kennelijk geen ideologische achtergrond.

Gedoogkabinet

De Nederlandse politici in Verbraaks bundel staan opvallend genoeg met beide benen stevig in de verantwoordingsethiek, óók Marijnissen en Verdonk. Alleen een radicale ideologische beweging als de PVV, die zich erop laat voorstaan geen water bij de wijn te doen en de rug ‘recht te houden’ past daar misschien niet in (de breuk met het gedoogkabinet zou daarop wijzen), maar de beweging ontbreekt helaas in zijn boek.

Mark Rutte beriep zich bij het aantreden van zijn kabinet ook graag op Weber: het ging hem om de resultaten, zei hij, niet om de vraag of de opvattingen van zijn partners CDA en PVV moreel gesproken wel door de beugel konden. Dat leverde hem een reprimande op van Jolande Sap, die hem maande ‘Weber te herlezen’. Want was Rutte niet net, helemaal contra Max Weber, in een kabinet gestapt dat werd gesteund door een extreme gezindheidspartij?

Sap had een punt, zeker – en toch ligt het lastiger. Want wat zegt Weber nu eigenlijk precies? Weber gebruikt zijn begrippenpaar daarin zelf ook al vooral polemisch, om het elan van zijn gehoor wat te dempen. De prille Weimar-republiek schudde toen al op zijn grondvesten onder het beuken van linkse en rechtse revolutionairen. Weber hekelde die revolutionaire geest: ‘In negen van de tien gevallen heb ik de indruk dat ik met windbuilen van doen heb die niet echt in de gaten hebben wat ze voor hun rekening nemen, maar zich laten meeslepen door romantische gevoelens.’

In plaats daarvan bepleitte hij een verantwoordingsethiek: in het staatsbestuur gaat het om verstandige afwegingen en reële effecten. Politiek is, een andere gevleugelde uitdrukking uit deze tekst, ‘krachtig en langzaam boren in harde planken, met gedrevenheid en inschattingsvermogen.’

Zijn toespraak viel dus slecht bij de studenten van de Vrije Studenten Vakbond, die juist begeestering zochten, geen afkoeling.

Maar hier beginnen de nuances. Want allereerst gaat het Weber uitdrukkelijk om de voorzienbare gevolgen van politiek handelen. Het is al te makkelijk om bijvoorbeeld militaire of humanitaire interventies die slecht uitpakken, alleen al op grond dáárvan te veroordelen. De vraag is: was het echec te voorzien? Of: kon Rutte het einde van zijn kabinet zien aankomen?

Charisma

Bovendien dekt het verschil tussen Gesinnungsethik en Verantwortungsethik niet dat tussen idealisme en realisme. Volgens Weber is politiek nooit alleen maar ‘een zaak van het hoofd’. Een ware politiek leider moet beschikken over charisma, het talent om een aanhang te inspireren en te mobiliseren. Het alternatief is een ‘leiderloze democratie’, voor Weber een schrikbeeld. Dat wil namelijk zeggen: ‘de heerschappij van beroepspolitici zonder roeping, zonder de innerlijke charismatische eigenschappen die iemand tot een leider maken.’ En dat komt neer op ‘heerschappij van de scharrelaars’. Wilders had het hem kunnen nazeggen (die zal ongetwijfeld ook instemmen met Webers terloopse opmerking dat het voeren van religieuze oorlog ‘het levenselement’ is van de islam).

Maar behalve over charisma moet een politicus volgens Weber ook beschikken over feitenkennis, zakelijkheid en inschattingsvermogen. Met ‘zakelijkheid’ is dan niet bedoeld op de winkel passen, een technocratisch leiderschap zonder ideologische veren, maar eerder het tegendeel. Het gaat om „gedrevenheid in de zin van zakelijkheid: hartstochtelijke overgave aan een ‘zaak’, aan de god of demon die over die zaak heerst.”

En tot slot heeft een politicus inschattingsvermogen nodig. Ook dat is niet een scherp oog voor publicitaire spin en contraspin maar eerder het tegendeel van zulk obsessie met effectbejag. Namelijk de kunst om ‘de werkelijke feiten met concentratie en rust op zich te laten inwerken, dus afstand te nemen van de dingen en de mensen.’ Omgekeerd zijn de twee grote zonden voor een politicus dan: onzakelijkheid en onverantwoordelijkheid. Jezelf te pletter twitteren, of in talkshows schuiven met een briefje, zou volgens Weber ongetwijfeld onder het laatste vallen.

Weber verwierp Gesinnungsethik dus niet totaal: de twee benaderingen van moreel handelen zijn ‘onmogelijk te verzoenen’, maar dat betekent niet dat één van hen waardeloos is. Bij ieder ‘echt mens’ vullen ze elkaar aan.

Maar dat maakt Weber nog lang niet tot een sympathisant van charismatische populisten. Verantwoordelijkheidsgevoel moet de doorslag blijven geven, niet het willen uitventen van wensbeelden of hameren op één aambeeld. Bovendien, merkt hij droogjes op: ‘Opwinding is heus niet altijd echte gedrevenheid’. Het leidt tot de ‘emotionele roes van de revolutie’, maar niet tot veel meer. Daarna begint het boren in hardhout.

Coen Verbraak: Interviews. Politici. Thomas Rap, 336 blz. € 18,90