Column

Het leven een tulpenbol

Interviewer Coen Verbraak vroeg aan de artsen met wie hij sprak in zijn programma Kijken in de ziel: wat mag een leven kosten eigenlijk?

De artsen vonden het een ongemakkelijke vraag. Het is een onmogelijke vraag, waarop je geen antwoord hebt, en eigenlijk ook niet moet kunnen of willen geven. Een van de artsen verbeterde de vraag dan ook. Hij zei: je kunt wel praten over wat een gewonnen levensjaar mag kosten. Net zoals je kunt praten over welk risico op ongevallen een beveiligde spoorwegovergang mag hebben. Dat zijn risicoberekeningen.

Dat leek een goed antwoord. Maar het verschil tussen de spoorwegovergang en de QALY (Quality Adjusted Life Year, een maat voor wat een levensjaar van goede kwaliteit mag kosten) is dat je over het laatste praat met een individu. Je zegt tegen deze ene mens: jouw leven mag per jaar 80.000 euro kosten. Bij de spoorweg spreek je over gemiddelden. Over kans en lot. Nooit weet je van tevoren welke ongelukkigen ondanks de beveiliging tóch door de trein gegrepen zullen worden.

Dat is een verschil. Leven brengt risico’s met zich mee, dat weten we en daar hebben we, in meerdere of mindere mate, vrede mee. Maar dat iemand te duur kan zijn om te mogen blijven leven, is wat anders.

Mag er dan helemaal niet over dat soort dingen gepraat worden? Natuurlijk wel. We hoeven niet te doen of kosten niet bestaan. Maar het maakt nogal uit hoe je over de dingen spreekt.

Twee weken geleden was zakenman Ben Verwaayen Zomergast. Op een gegeven moment ging het over wat iets waard was. Verwaayen veerde op. Waarde is iets wat mensen toekennen, zei hij. Neem de tulpenbollen. In de zeventiende eeuw betaalde men er een vermogen voor! Nu vinden we dat onzin.

Hij leek even zoiets te bedoelen als: wat iets waard is, dat is maar wat de gek ervoor geeft.

Dat is natuurlijk zo, alleen heb je het dan over prijzen. Niet over waarden. Zoals wel vaker gezegd: die dingen worden nog wel eens door elkaar gehaald. Verwaayen zei niet, en impliceerde dat hopelijk ook niet, dat mutatis mutandis hetzelfde geldt voor een mensenleven, al is het wel zo dat levens in sommige tijden of streken ‘goedkoper’ zijn dan in andere. Hij zei wel zoiets als: ach waarde, dat is maar relatief.

Maar er zijn wel waarden die we – ‘we’ mensen – zo goed en zo kwaad als het gaat, proberen hoog te houden, door de eeuwen en de plaatsen heen. Niet doden is zoiets. En bij dat ‘niet-doden’ (wat het in de praktijk dan ook voorstelt), hoort een vooronderstelling over de waarde van het leven. Die is niet op een of andere manier vast te stellen of te beredeneren. Dat is een aanname. Vandaar dat mensen in dat gebied graag woorden als ‘heilig’ gebruiken – dat is een manier om aan te geven: daar valt niets redelijks over te zeggen. Dat is zo, omdat we het daarover eens zijn.

Sommige dingen stellen we in met de bedoeling er niet steeds weer opnieuw over te hoeven praten. Natuurlijk doen we dat soms toch – neem euthanasie, neem de doodstraf – maar dan houden we vast, of gaan we uit, van die eerste aanname: dat het leven van een mens in principe niet genomen mag worden. Dat is een waarde.

Verander je die in een prijs, dan kom je in een heel andere wereld terecht. Dan krijg je de fabrikant die fluitend de milieuboetes betaalt maar zich niet aan de milieuwetgeving houdt, hij betaalt de boete wel. Dat is tegen de geest van de wet, dat is zelfs tegen de waarde die de rechtstaat vertegenwoordigt. Je kunt het recht niet afkopen zodanig dat het voor jou niet geldt.

Je kunt een mensenleven niet omrekenen in een bedrag.

Verwaayen maakte zich druk over de toekomst van Nederland en Europa. Hij zei: voor mensen van mijn leeftijd maakt het eigenlijk niet zoveel meer uit. Wij redden het wel. Maar een poosje geleden had hij zijn eerste kleinkind in de armen gehouden. Hij had naar dat piepkleine leventje gekeken en dat had hem ongelooflijk veel gedaan. Hij wilde dit nieuwe mensje een leefbare wereld nalaten, hij wilde het een toekomst bieden, hij wilde er voor zorgen.

Het zou heel raar geweest zijn om dan te vragen: en wat mag dat kosten? Dat is de vraag helemaal niet. De vraag is: wat kun je doen om te zorgen dat het leven goed is – binnen de mogelijkheden die je hebt.

De antwoorden zouden wel eens heel ergens anders kunnen liggen dan in de schatkist. Ze zouden te maken kunnen hebben met mentaliteit, met manieren van praten en denken over ziekte en gezondheid, met hoe we onszelf en anderen zien, Trudy Dehue schreef daar laatst een zeer behartenswaardig stuk over in De Groene. Het kan allemaal veel tijd en inspanning kosten. Maar de vraag is niet: wat mag een mensenleven kosten.