Glennkowski

Ook voor Glenn, ons logeetje, nadert het einde van de vakantie. Hij zit er niet over in, want hij gaat graag naar school. Ik kijk daar wel van op, omdat in mijn herinnering de lagere school een gevangenis zonder tralies was met benepen cipiers die zich voor onderwijzer uitgaven. Ik chargeer, maar dat deden die onderwijzers ook als ze zich weer eens om niets kwaad maakten. Wij waren nog kinderen waar je geen kind aan had, zó braaf en gezeglijk.

Het zal ook wel komen doordat Glenn een leergierig jongetje is. „Ik vind het gewoon leuk om dingen te leren”, zegt hij.

Zo’n kleinkind schept verplichtingen, ook al is hij pas zeven jaar. Welke grootouder wil niet graag aan de wieg staan van een genie? Misschien wordt hij wel iemand die zijn familie een onuitwisbare plek in de wereldgeschiedenis gaat geven; het wordt tijd.

Om hem te stimuleren spreek ik hem af en toe al aan met ‘professor Glennkowski’. Hij wilde onmiddellijk weten waar ik dat nou weer vandaan haalde. „Het klinkt geleerd”, antwoordde ik, „en bovendien hadden we vroeger bij FC VVV in Venlo een prima Duitse speler met een Poolse naam: Spikowski.” Hij knikt bevreemd. Ik moet maar doen wat ik niet laten kan.

Hoe hou je zo’n kind een paar dagen zoet? Natuurlijk, de speeltuin, daar voelt hij zich nog helemaal niet te goed voor, maar het Anne Frank Huis leek hem ook wel wat. Dat was beslist geen speeltuin, liet ik meteen doorschemeren. Mijn sobere mededelingen wakkerden alleen maar zijn nieuwsgierigheid aan. Toch maar niet, zeiden wij na enig nadenken, daarbij gesteund door het Anne Frank Huis zelf, dat op zijn website een minimumleeftijd van tien jaar noemt.

Dan maar een attractie er vlak naast: de Westertoren. Hij beklom hem met zijn oma, een gids en nog vier andere toeristen, terwijl ik op de Prinsengracht achterbleef als zwaaiend baken. Het duurde bijna een kwartier voor ik zijn korenblonde koppetje op de eerste omloop – het hoogste punt voor de bezoekers – zag verschijnen. Hij kon nog niet over de balustrade kijken en moest mij van tussen de spijlen toezwaaien.

Een dag later wist hij nog precies hoeveel treden hij had moeten beklimmen: 185. De jonge, vrouwelijke gids was heel aardig voor hem geweest. Ze had haar tekst in het Engels moeten opzeggen, maar hem af en toe apart genomen voor een Nederlandse samenvatting. Het was me al eerder opgevallen dat hij bij vrouwen in de smaak valt – altijd mooi meegenomen.

’s Avonds wilde ik hem uit een zo verantwoord mogelijk kinderboek voorlezen, maar hij kwam zelf al aanzetten met een bibliotheekboek: De waanzinnige wetenschap over jou van Nick Arnold. Het bleek allerlei weetjes over het menselijk lichaam te bevatten, gegroepeerd in hoofdstukken met afstotende titels als ‘Slobberig spuug’ en ‘Gorgelende ingewanden’.

Met tegenzin begon ik voor te lezen uit het hoofdstuk ‘Onvermijdelijk ouder worden’. De schrijver beschreef met bijna satanische gedetailleerdheid hoe oudere mensen ouder en slapper worden en vet in de aders krijgen. „Blokkeringen kunnen een hartaanval of een infarct veroorzaken, waarbij delen van de hersenen afsterven.” Ook kunnen ze door fouten in hun DNA last krijgen van een ‘rebelse cel die zich als een gek vermeerdert’ en in een kankercel ontaardt. „Uiteindelijk kan je oude lichaam het niet meer aan”, constateerde Arnold.

„Gezellig boek is dat”, zei ik.

„Het is heus niet allemaal waar”, troostte Glenn.