Een wonderwereld geopenbaard

Japan was eeuwen een geïsoleerd land, waar de tijd stil moet hebben gestaan. Daarover gaat een prachtboek met ingekleurde foto's uit de late 19de eeuw.

Vier geisha’s, ca. 1885; en (onder) een samoerai met bamboe-hoed, ca. 1863-‘68 gefotografeerd door Felice Beato Foto’s Uit besproken boek

Het is een wonderlijk schouwspel. Vier meisjes die iets opvoeren waarbij je je niets kan voorstellen. Het moet zang en muziek zijn geweest, samen met trage, sierlijke bewegingen – Minimal art avant la lettre. Maar het meisje dat geknield zit lijkt me een dwarsligger – even geen zin in dat geneuzel. Alsof ze elk moment kan opveren, een klap aan de lucht kan uitdelen of zich zal uitstrekken als een tai chi-leerling.

Dit bloedernstige viertal werkte als geisha. Gezelschapsdames die tijdens theeceremonieën dienden te entertainen en converseren op hoog niveau. Een lijdensweg heet dat nu, afgaande op Geisha van Liza Dalby en Dagboek van een geisha van Arthur Golden, die deze beroepsgroep veel later op basis van een confidenties van binnenuit hebben beschreven. Vrouwenhandel zelfs, omdat de meisjes onder de knoet zaten van een ‘madame’ die erop toezag dat spuugdure kimono’s in de loop der jaren yen voor yen werden terugbetaald.

In de jaren twintig verdienden zo’n 80.000 vrouwen in Japan nog de kost op die manier. Ze hoopten dat in een van de vele theehuizen van de oude, keizerlijke hoofdstad Kyoto, waar ze in groten getale optraden, een rijk man hen ooit zou toefluisteren ‘ja, jou wil ik als vrouw’.

Deze foto uit circa 1885 staat afgebeeld in Japanese Dream. Een eigenaardig boek dat 50 cm hoog is, 34 cm breed, summier wordt ingeleid en met lege kleurpagina’s royaal en subtiel is vormgegeven. Eigenaardig, omdat je zelden laat 19de-eeuwse foto’s van Japan zo groot en gedetailleerd onder ogen krijgt, inclusief de stofjes voor de lens en latere beschadigingen.

Er staan landschappen in, beroepsgroepen, geisha’s, samoerai, courtisanes, sumi-worstelaars, Shinto-heiligdommen en boedhistische tempels. Bijna alle 55 foto’s zijn kleurenfoto’s. Dat kan helemaal niet, want pas in 1907 presenteerden de gebroeders Auguste en Louis Lumière hun autochrome, een kleurprocédé met een raster van oranje, groene en violette zetmeelkorrels. En Kodak zou zijn kleurenrolletjes pas na WO II wereldwijd uitventen.

Make-up

Toch is het de kleur die deze foto’s feeëriek waarachtig, en waarachtig feeëriek, maakt. Met dank aan de coloristen, mannen die aanvankelijk de drukgangen van de Japanse houtsneden van kleur voorzagen en zich na de terugloop van deze arbeidsintensieve grafiek, toelegden op de make-up van zwart-wit foto’s.

Dat is tot op de dag van vandaag een zeer onderschat métier, schrijft fotodeskundige en verzamelaar Terry Bennett in Early Japanse Images, dat in tegenstelling tot Japanese Dream wél diep graaft in deze historische en experimentele fotofase in Japan. En gelijk heeft ie, want een laan vol kersenbloesem, waar ook 19de-eeuwse Japanners zich al aan vergaapten, betovert niet in zwart-wit, en dat doen die troze bloemennevels nu wel.

De foto’s in Japanse Dream komen vooral uit de verzameling van de Zwitserse journalist en fotokenner Charles-Henri Favrod (1927), eind vorige eeuw nauw betrokken bij nieuwe fotomusea in Lausanne en Florence. Ook hij zal beamen dat Japanse foto’s uit deze vroege periode lastig zijn toe te schrijven. Foto-avonturiers, vooral gevestigd in Yokohama – Felice Beato en Adolfo Farsari uit Italië, Baron Raimund von Stillfried uit Oostenrijk, en Kusakabe Kimbei uit Japan – openden studio's, kochten ze op, namen elkaars glasnegatieven over en vulden albums met eigen en andermans anonieme opnamen. Westerse toeristen schaften die nu zeer kostbare lakalbums gretig aan. Moet u zich voorstellen: ze kregen na 1868 een land te zien dat ruim twee eeuwen de wereld had buitengesloten. Met uitzondering dan van die Hollandse handelsclub op Deshima.

Ze kwamen langs de weg kramen met parasol- en lampionmakers tegen. Geisha’s met bloemen in het haar, witgekalkte gezichten en gehuld in kimono’s vol vlinders of waaiers hielden hen in restaurants gezelschap. Compleet getatoeëerde heren, alleen gekleed in lendendoek (tattoos fungeerden eerst als crimineel kenmerk en later als surrogaatkleding bij de lagere klasse), sjouwden draagstoelen, bagage of etenswaren. Vergelijk dat met de laat 19de-eeuwse straattaferelen van Londen en Parijs, vol Victoriaans textiel en je begrijpt waarom thuis gepocht werd met die albums – de openbaring van een wonderwereld. En in Japanese Dream smeult die verbijstering na. We reizen mee langs tempels die zich spiegelen in azuurblauwe meren; langs dorpstraten met houten huizen die net zo organisch in het landschap opgaan als de vuurrode esdoorn.

Queues

Zoals zich in Europa het Japonisme liet gelden in kunst en kunstnijverheid, dankzij de Wereldtentoonstellingen Londen (1862) en Parijs (1867) en vooral dankzij de houtsneden van Hokusai en Hiroshige, zo eigende Japan zich in die tijd toch al gretig Westerse fenomenen toe; van queues tot architectuur. En het gemengd baden werd meteen als iets barbaars afgeschaft. Maar Japanse Dream is daarvan gevrijwaard. Boeren, krijgers en worstelaars gaan nog gehuld in stro, lappen en harnas, alsof ze het feodalisme graag in stand hielden. Courtisanes kleedden zich als strenge keizerinnen, in kimono’s met zulke beeldschoon ingekleurde dessins dat de eigentijdse mode van prints en glitter er mateloos armoedig bij afsteekt. En scharrelen je ogen door de pastelgetinte landschappen – van een laaiende, ondergaande zon in de baai van Fukuyama tot een riviergezicht in Nagasaki – dan meen je een zachte bries te horen in de oeverloze stilte van een bijna leeg land.

Dit is Japan in vreedzame isolatie. Niet veel later zou het zich aan de buitenwereld – onder meer tegenover China en Rusland – van een ongekend gewelddadige kant laten zien.