De grote verlokker

Morgen krijgt Julian Barnes de Europese literatuurprijs voor ‘Alsof het voorbij is’. Zijn nieuwe essaybundel werpt een nieuw licht op het succes van die roman. Tussen alle lichtheid kijkt de schrijver je soms ineens recht aan.

Halverwege Alsof het voorbij is, de roman waarvoor Julian Barnes morgen de Europese Literatuurprijs ontvangt, verzucht hoofdpersoon Tony Webster dat ‘naarmate het aantal getuigen van je leven minder wordt, er steeds minder bevestiging, en dus minder zekerheid is over wat je bent of bent geweest. Zelfs als je van alles ijverig hebt vastgelegd – in woord, geluid, beeld – kun je zomaar tot de conclusie komen dat je de verkeerde zaken hebt vastgelegd.’ De verzuchting zal bij Tony Webster voorafgaan aan de paniek.

We hebben hem een halve roman eerder leren kennen als scholier, lid van een groepje intelligente jongens dat op het punt staat de toekomst in te trekken. Ze hebben een diepe belangstelling voor geschiedenis, zoeken naar de modellen om die te verklaren. Ze zijn bij vlagen briljant, maar ze zijn zestien – ze hebben dus geen idee van de wereld.

Dat blijkt in de jaren daarna. Tony krijgt een vriendinnetje – een onmogelijke relatie zoals je die nu eenmaal met een eerste vriendinnetje hebt. Na de onvermijdelijke breuk krijgt het meisje iets met een andere jongen uit de vriendengroep, de briljantste van allemaal, maar ook degene die het minst tegen het leven blijkt opgewassen: nog voor zijn twintigste pleegt hij zelfmoord.

Dat is het verhaal dat Tony Webster decennia later probeert te achterhalen, deels uit een verlangen om te weten wat er gebeurd is, deels uit een ongericht verlangen om terug te keren naar die tijd, om de intimiteit met het verloren vriendinnetje te herstellen. Alles blijkt pijnlijk verminkt (of helemaal niet) in zijn geheugen te zijn opgeslagen.

Dat is vertrouwd terrein voor Julian Barnes (1946), die al sinds Flauberts papegaai (1984) en De geschiedenis van de wereld in 10 ½ hoofdstuk (1989) intelligent en mild-ironisch schrijft over pogingen om het gat tussen heden en verleden te overbruggen. Waarbij hij de kracht van de verbeelding gebruikt om zijn lezers de schatkamer van het verleden binnen te leiden. Ook Alsof het voorbij is (besproken in Boeken, 14.10.2011) is een puntgave roman: essayistisch en persoonlijk – en zo knap van compositie dat je er dertig jaar schrijversleven aan afziet.

Het leverde Barnes de beloning op die hem ondanks zijn brille en faam – en in weerwil van een reeks vruchteloze nominaties tot nu toe was onthouden: de Booker Prize. Het boek werd een internationale bestseller. It’s gone viral, zoals Knopf-uitgever Gary Fiskjeton schreef, in een herformulering van het ‘je ne sais quoi’ dat het verschil maakt tussen een bewonderd boek en een geliefd boek.

Inmiddels leverde het Barnes ook de Europese Literatuurprijs op, wat overigens gewoon een Nederlandse onderscheiding is voor vertaalde fictie, waarbij het prijzengeld gedeeld wordt door auteur Barnes en vertaler Ronald Vlek.

Het inmiddels nogal onmodieuze Europese idealisme dat uit die prijs spreekt, past Barnes trouwens als een handschoen. Hij is niet alleen een Europeaan (nu ja, een francofiele Brit, wat voor een Engelsman natuurlijk al heel wat is), maar ook een begeesterd ambassadeur van lezen en literatuur. Dit voorjaar publiceerde hij het pamflet A Life with Books, waarin hij ontspannen en met zelfspot verslag doet van zijn nogal obsessionele daden als boekenverzamelaar.

Tussen de bedrijven door spreekt hij zijn vertrouwen uit in het papieren boek: ‘It’s just that books look as if they contain knowledge, while e-readers look as if they contain information.’ Het is een typisch Barnes-argument: de toon is alledaags en het houdt zich ver van de hoogdravendheid die de papierverdedigers zo vaak in hun greep heeft. Maar dat is niet het enige. Want als je goed kijkt zie je dat de inhoud niet zozeer het resultaat is van een redenering, maar van een gevoel.

Even aanstekelijk gaat Barnes te werk in de essaybundel die vandaag meteen in vertaling verschijnt: Uit het raam. Het boek bevat een vertaling van zijn boekenpamflet en daarnaast stukken die hij de afgelopen jaren schreef voor onder meer The Guardian en The New York Review of Books, vooral over door hem bewonderde schrijvers als George Maddox Ford, Rudyard Kipling, Penelope Fitzgerald, Michel Houellebecq en natuurlijk Gustave Flaubert.

En enthousiasmeren kan hij. Zijn kritische essay over de nieuwe Madame Bovary-vertaling van Lydia Davis is amper te lezen zonder naar je eigen boekenkast te lopen en daar Bovary uit te plukken – en niet alleen wegens de tweetable aanprijzing ‘Madame Bovary is many things [….] but is also the first great shopping-and-fucking novel’.

Hij maakt het boek vooral verleidelijk door dicht bij de tekst te blijven. Zo besteedt hij een paar pagina’s aan de vertaling van een zin over de jonge Charles Bovary: ‘Aussi poussa-t-il comme un chêne. Il acquit de fortes mains, de belles couleurs’ en vergelijkt hij de zes verschillende Engelse vertalingen van die zin die tot dusver zijn gepubliceerd. Hoe meer hij over de vertaalmogelijkheden schrijft, hoe helderder je de kracht van de zin voor ogen hebt. En daarbij is het aardige dat de Nederlandse vertaling van Hans van Pinxteren – ‘zo groeide hij als een jonge eik, kreeg stevige knuisten en een frisse kleur’ veel beter is dan de zes Engelse pogingen.

Maar in hetzelfde essay komt achter de ogenschijnlijk zo redelijke Barnes óók de retoricus te voorschijn, want hij is maar matig te spreken over de vertaling. Hij noemt een reeks kleine bezwaren, ingebed in een betoog over letterlijk en vrij vertalen. Helemaal aan het slot komt hij nog met iets nieuws: interviewcitaten van de vertaalster, waarin die bekent eigenlijk niet zo veel met Madame Bovary op te hebben. Zo concludeert Barnes dat het toch gewoon een gebrek aan affiniteit met het boek is, dat Davis’ vertaling laat tekortschieten. Ook hier schuilt onder de common sense dus een intuïtieve, gevoelsmatige positiebepaling.

De lezer Barnes zegt veel over de schrijver Barnes. Dat is het merkwaardige – en het fascinerende aan deze essays. De auteur toont zich de redelijkheid zelve, maar dat is vooral een kwestie van vorm. Daaronder gaan meestal intuïtieve stellingnames schuil. Die detoneren een beetje met de ontspannen ironische toon waar Barnes zich graag van bedient, maar het zijn tegelijk de momenten waarop je het idee hebt dat de schrijver je recht in de ogen kijkt.

Heel mooi zie je dat in het essay over George Orwell. Dat publiceerde hij in 2009, op het moment dat Alsof het voorbij is in zijn hoofd vorm begon te krijgen. Dat is eraan af te lezen. Barnes neemt vooral de waarheidsgetrouwheid van enkele Orwell-verhalen onder de loep. Zo signaleert hij in diens kostschoolherinneringen: ‘the unhealed pain of an abused child, a pain which occasionally leaks into the prose.’ Met andere woorden: geloof Orwell niet op zijn woord. Zijn relaas wordt mede bepaald door zijn gekwetstheid – en door zijn opvattingen. Barnes laat zien dat de beschrijving van de kostschool belangrijk overlapt met de wereld van Nineteen-Eighty-Four. De parallel tussen Orwells vervormde herinneringen en die van Tony Webster in Alsof het voorbij is, is evident.

Even verderop behandelt hij Orwells reportageverhaal ‘Shooting an Elephant’ en de kwestie of Orwell daadwerkelijk in Birma een olifant heeft doodgeschoten. De waarheid lijkt genuanceerder dan het verhaal, zoals het ook de vraag is of het even oude verhaal ‘The hanging’ voortkomt uit het zelf bijwonen van een executie.

Is dat erg, vraagt Barnes zich af.

En het verrassende antwoord is ja. De voor de hand liggende uitweg (literaire waarde staat los van feitelijkheid) wordt door Barnes afgewezen: ‘Dit is een zeer literair verweer waarbij we de schrijver wat meer speelruimte gunnen omdat we hem hoe dan ook bewonderen.’ Dat is speciaal voor Orwell onbevredigend omdat die juist geen writer’s writer wilde zijn, schrijft Barnes, maar eerder een ‘non-writer’s writer’. Hij wilde zich niet achter de literatuur verschuilen.

Ik betwijfel of daaruit volgt dat Orwell die gebeurtenissen niet mag fictionaliseren, maar dat is niet zo belangrijk. Volgens mij heeft Barnes het ook hier meer over zichzelf dan over Orwell. En bovendien over het feit dat het de verandering aangeeft die zich geleidelijk aan in zijn werk voltrokken heeft.

Als er één kenmerk was van de vroege geschiedenisboeken van Barnes, was het dat je verschuilen achter de literatuur geen probleem was. De fictie nog voor de feiten ging – zie het verslag van de tocht van de Ark van Noach door een houtworm in De geschiedenis van de wereld in 10 1/2 hoofdstuk. Het is briljant en ontwapenend, het ontsluit het verleden, maar is vooral een vrolijke ode aan de verbeelding.

Maar beklemmend is het niet. Daarvoor is de schrijver te veel in control – en zijn personages trouwens ook. Niemand raakt echt in paniek. Tekenend is het slot van Flauberts papegaai. Het besluit met de speurtocht naar de opgezette papegaai van Flaubert (die tot leven gewekt een rol speelt in het prachtverhaal Un coeur simple), die eerst twee vogels oplevert en dan nog een hele rij. Het is duidelijk dat de echte papegaai nooit meer van de andere te onderscheiden zal zijn: een mooi literair einde, waar verteller en schrijver zich tevreden mee stellen. ‘Misschien was hij er wel bij’, luidt de lichte laatste zin.

Vergelijk dat eens met het slot van Alsof het voorbij is. Tony Webster heeft tenslotte veel ontdekt over zijn verleden, maar hij besluit met woorden waarin weinig hoop te vinden is: ‘Er is accumulatie. Er is verantwoordelijkheid. En daarenboven is er onrust. Is er grote onrust.’

De lichtheid is verdwenen en dat komt denk ik door de aard van Tony’s zoektocht. Die komt niet voort uit vrolijke nieuwsgierigheid naar het verleden maar, inderdaad, uit onrust. Weliswaar probeert hij op dezelfde redelijke wijze het verleden te reconstrueren als dat in alle Barnes-romans gebeurt (bloss zeigen wie es eigentlich gewesen, en soms verzinnen hoe het geweest had kunnen zijn), maar de motor is onvergelijkbaar.

Zoals Barnes in zijn essays in Uit het raam uiteindelijk geen geheim maakt van de intuïtieve stellingnames die aan zijn elegante redeneringen ten grondslag liggen, geeft hij Alsof het voorbij is een diepere laag door de onrust van Tony nadrukkelijk voor het voetlicht te brengen. Bij hem is het terughalen geen ontdekkingsreis meer, maar een poging om iets te herwinnen wat eigenlijk al verloren is: de feiten, de vriendschap, de intimiteit met het vriendinnetje. Redden wat er te redden valt, in de wetenschap dat het toch al te laat is. ‘Je komt aan het einde van het leven’, schrijft Barnes schitterend op de voorlaatste pagina van Alsof het voorbij is, ‘ – nee, niet van het leven zelf, maar van iets anders: het einde van de waarschijnlijkheid van verandering in dat leven.’

Er is geen toekomst meer – en het verleden was al verdwenen. In die houdgreep eindigt Tony Webster: ‘grote onrust’ is dan nog een kleine uitdrukking.

Dat is zo’n moment waarop de schrijver je even recht aankijkt, en je alle ironie voorbij bent. Het laat ook zien wat er jarenlang is gerijpt in het schrijverschap van Julian Barnes; je begrijpt plotseling waarom hij juist voor Alsof het voorbij is de Booker Prize heeft gekregen. Want voor deze roman geldt wat Barnes in de inleiding tot zijn essaybundel schrijft: ‘Fictie verklaart en verrijkt, meer dan enige andere vorm van schrijven, het leven.’