De gloeilamp is overleden

Hij zal worden gemist, de gloeilamp. Vanaf morgen is hij verboden omdat hij niet zuinig genoeg is. Een ode aan de druppel, de traan, de edelsteen. Dichter bij het licht van de zon kon je niet komen.

Foto Hollandse Hoogte, beeldbewerking NRC

Op 30 maart van dit jaar braken medewerkers van General Electric in Nela Park (Cleveland, Ohio) een muurholte open die in 1912 door hun voorgangers was dichtgemetseld. Daarin lagen een tijdcapsule met objecten en documenten, en vijf peertjes van 60 watt bovendien.

Eén ervan was in die honderd jaar volgelopen met water, eentje was beslagen, twee waren gewoon stuk, maar bij de vijfde gloeide warempel de spiraal van wolfraam op toen men er stroom doorheen liet lopen, voorzichtig, met een dimmer, anders zou de draad kunnen knappen door de plotse verhitting (2.500 °C ).

De ontroering was groot. Alsof het licht in de glazen bol ook van een eeuw geleden was. Alsof het al die jaren achter de stenen en de specie donker was gebleven om nu weer te kunnen stralen. Alsof het uit de dood was opgestaan.

Alsof het leefde.

General Electric maakt in 2012 nauwelijks nog peertjes, vooruitlopend op een verwacht maar telkens uitgesteld verbod op onzuinige lampen in de VS. In Australië en Nieuw-Zeeland is de heldere gloeilamp al jaren verboden, zoals roken in publieke gebouwen er verboden is, en autorijden zonder gordel. Niet verboden zoals moord of diefstal, waarvan iedereen wel snapt dat het ongepast is, maar verboden omdat de overheid een norm heeft gesteld. Deze norm zegt dat gloeilampen te onrendabel zijn (niet meer dan 10 procent van de energie gaat naar licht, de rest gaat naar warmte), dat ze dus niet zuinig genoeg zijn en daarmee het milieu belasten.

In Europa geldt vanaf morgen dezelfde norm. De Europese Unie heeft in 2008 besloten dat onzuinige lampen worden „uitgefaseerd”. En voor de huis-tuin-en-keukengloeilamp eindigt morgen de laatste fase. In Europa mogen vanaf 1 september 2012 geen lampen van de klasse C of lager – een classificatie van duurzaamheid – meer worden gemaakt of ingekocht. Uitgaande van een gemiddelde levensduur van een peertje (1.000 branduren) betekent dat dat de laatste over een paar jaar voorgoed zal zijn gedoofd. Tegen die tijd zijn ook de meeste halogeenlampen uitgefaseerd (verboden na 2016). Daarna moeten we het doen met het licht van spaarlampen en led-lampen. En dat is heel anders.

In de gloeilamp verliest de filmkunst een gewaardeerde medewerker. Eentje die ineens van geel naar helwit kon gaan – waardoor je als kijker wist dat er bovennatuurlijke verschijnselen gaande waren. Eentje die aan een snoer heen en weer zwaaide – waardoor de radeloosheid van de hoofdpersoon zichtbaar werd. Eentje die zich brandend, knarsend uit zijn fitting liet schroeven – en dat je wist dat de hand die dat deed van een laffe huurmoordenaar was, of juist van de waakzame held, die het peertje dan ook wel eens in een handdoek verbrijzelde en de scherven over de trap strooide om de komst van zo’n laffe huurmoordenaar te verraden.

Wat zullen onze kleinkinderen nog van Catweazle begrijpen als ze die op YouTube tegenkomen? De middeleeuwse magiër die in de moderne tijd terechtkwam en schrok van het helle licht dat verscheen zodra een jongen de schakelaar in de schuur omdraaide. „O, tovenaar leer mij die truc. Leer mij hoe ik de zon in een fles kan doen.” De langzaam op sterkte komende spaarlamp had Catweazle nooit op zijn knieën gekregen.

Dichter bij het vuur van de zon kun je niet komen. De kleurweergave-index van de gloeilamp is op 100 gesteld; alle kleuren uit het spectrum leveren hun bijdrage aan het licht van de gloeidraad. De spaarlampen komen op 80, de allerbeste leds op hooguit 90.

„De gloeilamp is als een kaars”, zegt Paul van Schijndel. „Een spaarlamp is een opgevoerde aansteker.” Van Schijndel werkte deze week in zijn eentje („We zijn een uitstervend ras”) in de Calex Gloeilampenfabriek in Schiedam. Onderdelen uit onder meer China en Finland zet hij hier in elkaar voor de laatste gloeilampen die ze nog wel mogen produceren, voor de scheepvaart bijvoorbeeld.

Hoe moet Willie Wortel nu verder? Wordt zijn vriendje Lampje, peervormige verbeelding van het lumineuze idee, straks bij Disney ook vervangen door de stijve cilinders van de spaarlamp?

Want dat is misschien wel het mooiste van de gloeilamp waarop Thomas Edison in 1880 octrooi aanvroeg en die daarna zijn weg vond naar het grote publiek: de sensuele vorm. Hij is een druppel, een fles, een edelsteen, een peer, een traan, een hoofd. Hij heeft dezelfde ondefinieerbare antropomorfie als de knijper met zijn benen of de veiligheidsspeld met zijn oog. Een gloeilamp is in een ommezien een mannetje. Een led-lamp is en blijft een schijfje dat licht geeft.

Bij Philips, zegt Marco Haverlag, is nostalgie een spaarzaam verschijnsel. Het bedrijf dat Gerard Philips in 1891 begon als een gloeilampenfabriek in Eindhoven, staat niet stil bij het eind van dit tijdperk. „En de meeste mensen die hier nu werken, zijn bezig met andere concepten.”

In Nela Park (Nela staat voor National Electric Lamp Association) zullen werknemers van General Electric volgend jaar april een nieuwe tijdcapsule inmetselen, waarin in elk geval een led-lamp van 60 watt zal zitten (verwachte levensduur:22 jaar bij een gemiddeld gebruik van 3 uur per dag).

Misschien dat ze daar in 2113 toch weer heel opgewonden van raken.