Dagboek van een eco-ramptoerist

Als slot in een zomerse serie over reisboeken: een rampsafari langs de ‘Ground Zero’s van de milieuvervuiling’.

In horror schuilt veel schoonheid, dat wisten romantici al. Dit geldt ook voor ecohorror. Schitterend: Port Arthur in Texas, ‘een raffinaderij-stadje met olie in haar aderen, tolueen in de wind, het stinkende kroonjuweel in Amerika’s petrochemische tiara, ook wel bekend als de Gulf Coast’, schrijft de Amerikaanse journalist Andrew Blackwell in Visit sunny Chernobyl . Hard treft het sublieme treft hem ook als hij over de Canadese teerzandmijnen vliegt, waar reusachtige graafmachines als kevers ogen, of bij het aanschouwen van één zo’n graafmachine met ‘tanden als die van een Tyrannosaurus Rex’. ‘Ik staarde omhoog, een euforisch afgrijzen koesterend, me voorstellend hoe het zich een weg door de aarde kauwde. Dit was het bastaardkind van de Eiffeltoren en de Queensboro Bridge.’

Blackwell ondernam een reis langs negen ecologische Armageddons en schreef er een boek over. Waarom doet iemand zoiets? Dat is eenvoudig: omdat walgelijkheid het laatste nog te nemen front van de beleveniseconomie is – en daarom exclusief. Hoe viezer, hoe avontuurlijker, en dus, paradoxaal genoeg, hoe onbedorvener. In India zag Blackwell ooit prachtige tempels, ‘the usual crap’, maar als ‘vervuilingstoerist’ bezoekt hij spectaculaire ecologische catastrofes zoals die pikzwarte mijnafgronden van Alberta. Ecotoerisme is cliché. Eco-ramptoerisme heeft de toekomst.

Voor wie daar nog niet aan toe is, is er nu dit reisboek, het eerste in wat een lucratieve serie zou kunnen worden: ‘Dirty Planet’. Blackwell heeft een goed oog voor het absurde en schrijft levendig en lekker vet (‘het rook er alsof de ober net een kom borrelende teer op je tafel had gezet’). Hij bezoekt de Amazone, of beter ‘Soymageddon’, in China demonteert hij computers vol gifstoffen en in Tsjernobyl houdt zijn gids een oude geigerteller uit het raam van de auto. ‘Het ding begon vrolijk te tsjirpen’. De rij topbestemmingen is wel lukraak; de schilderachtige Nigerdelta had echt niet mogen ontbreken en de arcadische Indiase pesticidenindustrie wordt node gemist. Toegegeven, de keuze is natuurlijk overvloedig: ‘Toen ik besloten had vervuilingstoerist te worden, werd de wereld een snoepwinkel.’

Op de achtergrond speelt een verbroken relatie mee, maar net als je dat te veel wordt, is Blackwell je met zelfspot een stap voor. Met zijn Chinese tolk bedenkt hij welke baan hij moet verzinnen, omdat journalisten in ‘giftig hellegat’ Guiyu niet welkom zijn. Kunstenaar is misschien het beste, ‘die zijn ook slecht gekleed, nors en narcistisch ingesteld’.

Het is dus een cool dude, die Blackwell, iemand die onder angst voor stralingsziekte minder lijdt dan onder een fikse wodka-kater, ‘ál voelt het waarschijnlijk hetzelfde’. Zijn beschrijvingen zijn geestig en informatief, hij spreekt met werknemers van vervuilende bedrijven en met kleurrijke bewoners die gelaten in een giftige omgeving leven of zich er, doorgaans zonder veel resultaat, tegen verzetten.

Griezelen

Wel laat hij de lezer liever ecologisch griezelen dan dat hij zich verdiept in lange termijngevolgen als hoge kanker-ratio’s en sociale ellende. Die dingen zijn veel te naargeestig en bovendien te uitzichtloos. Blackwell is daarmee een echte toerist: hij geniet alleen van het decor. Hij concentreert zich op iets grappigs zoals een geredde oliepelikaan die weigert weg te vliegen bij zijn vrijlating – te weinig eten in de natuur. Hij staat stil bij milieuactivisten die ergens teleurgesteld zijn als ze géén grote hoeveelheden plastic treffen in de oceaan. En overigens: de Amazone ziet eruit als een gewoon bos. En in Linfen, de meest vervuilde stad ter wereld (kolenextractie) gaat het leven gewoon door.

Visit sunny Chernobyl is daarmee soms behoorlijk naïef, om het woord dom niet te gebruiken, maar het is ook geestige toeristische satire. Want ook de vervuilingstoerist wil waar voor zijn geld. Als in Tsjernobyl de geigerteller minder hoog uitslaat dan de dag ervoor, kijkt de gids Blackwell ongerust aan; hij zal zich toch niet bekocht voelen omdat hij niet de maximale blootstelling heeft gekregen?

Toch schuilt onder alle grappen een serieuze agenda. Blackwell, de zelf benoemde ‘gevoelige, ecovriendelijke linkse jongen’, wil de afstand tussen de ‘schone’ lezer thuis en de etterende milieuzweren elders laten verdwijnen. Niet alleen door die te beschrijven, maar ook door de scheidslijn tussen natuur en verwoesting steeds in twijfel te trekken. Vaak beschrijft hij vervuiling in ecologische termen: de plasticmoleculen van de Great Pacific Garbage Patch zijn ‘als kunstmatig plankton’, en in Guiyu, China, ‘hooien’ voormalige boeren op pastorale wijze de printplaten van computers van een truck. (Later zegt een arbeider hem dat ze inderdaad de boerengereedschappen gebruiken – zeven, hakken – die vroeger voor maïs ook al hun nut bewezen.)

Illusie

De tweedeling cultuur-natuur is allang een illusie, zoals ook filosoof Bas Haring betoogde in Plastic Panda’s, of filosoof Koen van Mensvoort in Next Nature (Besproken in Boeken, 25.11.11). Natuurpark Yellowstone wordt ‘waarschijnlijk meer gemanaged en gecontroleerd dan de Exclusion Zone van Tsjernobyl, het grootste natuurreservaat van de Oekraïne’, schrijft hij. ‘We leven allang in het antropoceen, een nieuw geologisch tijdvak gekenmerkt door grootschalig soortenverlies (reeds bereikt) en klimaatverandering (nog gaande)’ aldus Blackwell.

De romantische droom van ongereptheid is in Blackwells ogen gevaarlijk, hindert zelfs een robuuste, zinnige natuurbescherming. ‘We moeten zien hoezeer we deel zijn van de nieuwe, nog levende natuur.’

Naarmate soorten sneller uitsterven en klimaatdoelen vaker terzijde worden geschoven, is dit een argumentatie die je vaker leest. Zou het echt? Is acceptatie van ecologische verwoesting effectiever dan verzet? Is een plastic ecosysteem net zo waardevol als een natuurlijk? En kan eco-ramptoerisme meer bijdragen aan draagvlak voor natuurbescherming dan de natuurpastorales van Sir David Attenborough?

Blackwell is ontegenzeggelijk hipper dan Attenborough. Maar het perspectief dat hij hanteert deugt niet. Natuurlijk zal natuur, een gemodificeerde vorm ervan, de mens overleven, zoals in Tsjernobyl. Maar een verkieslijk scenario kun je dat toch moeilijk noemen.

Het pleit voor Blackwell dat zijn boodschap uiteindelijk dubbel is: ‘het is hubris, te denken dat we natuur of de wereld kunnen vernietigen,’ schrijft hij. Aan de andere kant wordt hij in zijn laatste hoofdstuk hopeloos verliefd op India en erkent hij dat op het moment dat je alleen nog giftig drinkwater hebt, milieuactivisme gelijk staat aan overleven.

In dat laatste hoofdstuk vergeet Blackwell hoe cool hij eigenlijk is. En dat maakt dat je uiteindelijk valt voor zijn oppervlakkige, maar ook innemende mix van zwarte humor, ramptoerisme en ecologische bespiegeling.