Crimineel kraakpand

Het waaide flink, zoals dat hoort aan plassen, met buigende rietpluimen en klotsende bootjes onder een hefbrug. De Baambrugse Zuwe in Vinkeveen: een langgerekte landweg, meer een dijk in het water.

Aan weerskanten lagen oude en splinternieuwe herenhuizen, boerderettes, of strakke architectuur met BMW’s. Opvallend veel dure panden stonden te koop. Een stuk of vijf villa’s misten een makelaarsbord in de tuin, maar waren toch verlaten. Geheimzinnige huizen, met bladderend schilderwerk, wilde tuinen en gedateerde intercoms aan verroeste toegangspoorten – een beetje crimineel heeft tegenwoordig ‘PTZ’s’, die lantaarn-achtige, op afstand bestuurbare camera’s die je ook ziet in binnensteden. Er hingen veel PTZ’s aan de Baambrugse Zuwe.

Het voormalige huis van Ron de J., alias Rooie Ronnie, bleek in zijn soort volmaakt. Hij gaf leiding aan de drugsorganisatie van topcrimineel Mink K. In 2008 was de politie hem hier komen halen, maar Ron was er toen al vandoor. Drie jaar later werd hij toch aangehouden.

Zelfs zijn meubilair stond nog gewoon binnen. Overal woekerde het groen. Een ooit pompeuze witte olifant in de tuin was langzaam zwart en sneu geworden.

Intussen was Rooie Ron weer op vrije voeten. En hij was woedend, want gloeiende godver, zijn huis was gekraakt door Tsjechen. Afgelopen zondag bestormde hij daarom de villa, met veertien vrienden en Telegraaf-verslaggever John van den Heuvel, die netjes was gebeld en alles attent op camera vastlegde: goudeerlijke ex-crimineel tegen de buitenlanders.

De politie was er snel bij om Rooie Ron te vertellen dat hij zich aan de ontruimingsprocedure had te houden. Schandalig!, schreven veel Telegraaf-lezers op de website.

Ik vond dat wel een vrolijke gedachte, dat een stel Oost-Europeanen het nu tot de villa’s van de Amsterdamse penoze hadden geschopt. We hebben het ze namelijk zelf geleerd: midden jaren 90 kraakten Amsterdamse krakers zo’n 140 oude woningen voor Oost-Europeanen in de stad: veel jongeren uit voormalig Joegoslavië, die het in opvangcentra niet uithielden. Ik volgde hen voor de krant en herinner me nog hoe verbluffend snel zij de Nederlandse ontruimingsprocedure van buiten kenden.

Dus ik belde maar gewoon aan. Lucia, een vrouw van dertig met een lange blonde paardenstaart, kwam naar het hek. Ze wilde haar achternaam niet noemen en me niet binnen laten – zo hadden ze het hier afgesproken, sinds Rooie Ron. ‘Ze’ waren drie koppels. De jongens knapten huizen van Nederlanders op. Lucia probeerde me in wervend, gebroken Engels uit te leggen welke vloeren haar vriend zoal legde.

Overigens, zei ze, had het huis al een nieuwe eigenaar. „A very nice person” met een kindje op komst. Alle begrip hoor. Hij wilde het huis opknappen en zelf heerlijk aan het water gaan wonen. Ze hadden hem beloofd over twee maanden weg te zijn.

Benieuwd wat hun volgende kraakpand zal worden.