Bloedige bendestrijd Marseille

Volgend jaar is Marseille de culturele hoofdstad van Europa. Maar bloedige afrekeningen illustreren de criminele wortels in deze Zuid-Franse havenstad.

Franse agenten controleren een groep jongeren bij een politie-actie eerder dit jaar in de wijken aan de noordkant van Marseille. Foto AFP

Niemand betreedt La Castellane ongezien. Bij de ingang van deze beruchte wijk in het noorden van Marseille zitten her en der jongens op banken en bureaustoelen. Ze zijn op hun hoede. Fluitjes klinken wanneer verderop een brandweerauto op de doorgaande weg passeert. Alleen kopers zijn welkom. „Wat wil je? Hasj, coke?”

Onlangs was La Castellane het toneel van een bloedige afrekening. De zoveelste in kort tijd. Woensdag nog werd in een naburige wijk een 25-jarige jongen doodgeschoten in zijn auto. Sinds begin dit jaar vonden in en rond Marseille twintig afrekeningen plaats.

„We zijn hier niet langer in Marseille, maar in de favela’s van Rio de Janeiro”, verzuchtte hoofdaanklager Jacques Dallest, verwijzend naar de door drugs en geweld geïnfecteerde sloppenwijken van Brazilië.

De afrekeningen trekken in Frankrijk veel aandacht. Niet in de laatste plaats wegens de kalasjnikovs die erbij gebruikt worden. Televisie en kranten hebben het over „neogangsters” – steeds jonger, steeds gewelddadiger, en veelal van Frans-Algerijnse origine. Zij zouden de plaats hebben ingenomen van de peetvaders uit de Corsicaanse en Italiaanse immigratie, die de onderwereld van Marseille traditioneel domineren. „Ciao parrains!”, schreef Le Monde.

Anderen vinden dat voorbarig. „De oude generatie peetvaders heeft niets aan macht ingeboet”, zegt oud-hoofdcommissaris Jean-Louis Pietri. En de gezaghebbende misdaadjournalist Jerôme Pierrat legt uit: „De buurtbendes en de peetvaders opereren in gescheiden circuits.”

De ‘drugssupermarkt van Marseille’, zo wordt La Castellane wel genoemd. In het labyrint van afgetrapte woonkazernes en doodlopende straatjes bestaat een vijftal verkooppunten. Elk daarvan, zo blijkt uit een onlangs door de politie buitgemaakte ‘administratie’, is goed voor 100.000 euro per maand.

De jongens die overal op de uitkijk staan, verdienen vijftig euro per dag, vertelt Nacer Hamadi, de 44-jarige uitbater van een theehuis op de begane grond van een van de vale flats. „Die jongens staan onderaan in de hiërarchie. Ze kunnen hier geen kant op, voor hen is de drugshandel de enige manier om iets te verdienen.”

Net als bij veel andere bewoners overheerst bij Hamadi het gevoel door de overheid in de steek te zijn gelaten. „Vuilnis wordt hier niet opgehaald, de ratten lopen door de straten. Waarom laat het gemeentebestuur ons hier creperen?”

De afrekeningen komen slecht gelegen. Komend jaar is Marseille culturele hoofdstad van Europa. Het laatste waarop lokale bestuurders zitten te wachten, is dat potentiële bezoekers door alle media-aandacht worden afschrikt.

„De focus op afrekeningen verhult het feit dat er in de strijd tegen de criminaliteit grote vorderingen zijn geboekt”, laat prefect Alain Gardère per e-mail weten. „Het aantal inbraken is gedaald, net als geweld tegen personen.”

Marseilles reputatie als misdaadstad kreeg afgelopen eeuw geleidelijk gestalte. Vooral door de French Connection, de roemruchte drugslijn die van Turkije tot de Verenigde Staten voerde. Maar zeker ook door Jacky ‘le Mat’ Imbert en Gaëtan ‘Tany’ Zampa, illustere peetvaders die elkaar de lokale markt betwistten.

„Imbert en Zampa waren tot de verbeelding sprekende figuren, die het breed lieten hangen in de nachtclubs langs de Vieux Port”, zegt oud-hoofdcommissaris Jean-Louis Pietri in een brasserie in het nabijgelegen Aix-en-Provence. „Na hen werden peetvaders discreter. ‘Inktvissen’ noemen we ze nu. Die verschuilen zich in het zand en nemen de kleur aan van hun omgeving.”

Pietri was degene die Zampa in 1983 in de boeien sloeg. Na zijn pensioen begon hij een succesvolle carrière als thrillerauteur. In het deze zomer verschenen Marseille Opus Mafia beschrijft hij de banden tussen Zampa, zoon van Napolitaanse immigranten, en de Italiaanse Cosa Nostra.

Bendes in wijken als La Castellane verdienen hun geld met roofovervallen en detailhandel van drugs. Peetvaders doen dat met afpersen van grote nachtclubs in de regio, drugsgroothandel, onroerendgoedhandel langs de Côte d’Azur, en aanbestedingen van lokale overheden.

„De drugs die door buurtcriminelen in de noordelijk wijken worden uitgevent, zijn vaak eerder door peetvaders het land binnengesmokkeld”, zegt Jerôme Pierrat vanuit Parijs. „In dat opzicht zijn hun werelden juist weer complementair.” Pierrat, van huis uit historicus, is naast misdaadjournalist ook auteur van een tiental boeken over de Franse onderwereld.

De aanwezigheid van een gestructureerd crimineel milieu – hoewel onvergelijkbaar met de Italiaanse maffia – omderscheidt naar zijn idee Marseille van Lyon of Parijs. „Drugsbendes vind je in en rond alle grote Franse steden, maar peetvaders, vaak met hooggeplaatste connecties in de bovenwereld, tref je eigenlijk alleen nog in Marseille aan.”

Als voorbeeld wijst Pierrat op Jean-Noël Guérini, de socialistische senator en regiovoorzitter van Les Bouches-du-Rhône. Diens naam wordt al jaren genoemd in uiteenlopende corruptieschandalen. Guérini wordt verdacht van banden met Corsicaanse maffiosi. Dit voorjaar werd zijn parlementaire immuniteit opgeheven, opdat hij door justitie kan worden gehoord.

Voor de huidige golf van afrekeningen voert Pierrat uiteenlopende verklaringen aan. „Anders dan in de regio Parijs is de afzetmarkt in Marseille betrekkelijk klein. En gezien de sociaal-economische omstandigheden van de stad is het aantal potentiële dealers er aanzienlijk. Een territoriumstrijd heb je dan al snel.”

Volgens Pietri zijn afrekeningen in de achterbuurten van Marseille van alle tijden. „Er is weinig nieuws onder de zon. Hooguit is de colt. 45 er ingeruild voor een kalasjnikov, een zeer onnauwkeurig wapen overigens.”

„Het is een klassiek patroon”, zegt Pierrat. „In een darwinistische survival of the fittest bevechten de buurtbendes nu eerst elkaar. Daarna breekt een volgende fase aan, wanneer de overlevers zich willen meten met de zittende generatie peetvaders. Zover zijn de Frans-Algerijnen nog niet, want vooralsnog ontberen ze de codes en verwantschappen die nodig zijn om aansluiting te vinden bij de bovenwereld in Marseille.”

Volgens Pierrat worstelden buurtcriminelen uit de Italiaanse immigratie begin vorige eeuw met hetzelfde probleem. „Pas toen er zich politici en bestuurders van Italiaanse afkomst meldden, veranderde dat en zag je Frans-Italiaanse buurtcriminelen tot peetvaders uitgroeien. Afgelopen jaren diende zich de eerste generatie Frans-Algerijnse politici aan. Daarmee is de eerste peetvader van Algerijnse afkomst slechts een kwestie van tijd. Zo is het is het in Marseille met iedere immigratiegolf gegaan.”