Zwartrijden

De trein had nog maar net het Centraal Station van Amsterdam verlaten toen ik naar pen en aantekenboekje in mijn jack tastte om iets op te schrijven. Een columnist werkt altijd! – dit voor de mensen die denken dat je er slapend rijk mee wordt.

Mijn vingers raakten ook twee geplastificeerde kaartjes, waaronder mijn ov-chipkaart waarop ik aan de voorzijde sta afgebeeld als een voortvluchtige crimineel die gezocht wordt voor een Kees van der Staaij-achtige verkrachtingszaak (schuldig, maar met mate). Op hetzelfde moment schoot door mij heen: vergeten in te checken.

Ik schold mezelf kort, maar hevig uit. Hoe kon ik dat nou vergeten? Zoals bekend geef ik de NS graag de schuld van alle rampen die mij tussen de rails overkomen, maar in dit geval paste me nederigheid. Op sommige stations staan de afleesapparaten voor de chip zó verdekt opgesteld dat je de NS bijna van misleiding zou verdenken, maar in Amsterdam is dat niet het geval; je struikelt er bij de ingang zo ongeveer over. Kennelijk had ik weer eens een van mijn verstrooide buien gehad, waarin ik zowel dierbare vrienden als lastige vijanden ontmoette.

De gevolgen waren ingrijpend. Ik had een boeiend boek meegenomen, Tonio van A.F.Th. van der Heijden, dat mij leerde dat ik nooit meer ergens over mocht klagen zolang het noodlot dat zijn gezin trof mij met rust liet. Het is zo’n boek dat je, hoe treurig ook, nauwelijks kunt neerleggen. Misschien komt het ook doordat ik Van der Heijden en zijn zoon eens, een jaar of twaalf, dertien geleden, op de eerste verdieping van de Burger King op het Leidseplein samen zag eten en praten: er hing een gelukkige sfeer van ontspannen vertrouwdheid tussen vader en zoon die me altijd is bijgebleven.

Ik had in de trein graag verder gelezen, maar tussen wens en werkelijkheid doemde opeens die verdomde ov-chipkaart op, die zich verwaarloosd achtte en nu al mijn aandacht opeiste. Wat doen we nou, riep de kaart op verongelijkte toon, gaan we naar de conducteur of wordt het een ritje zwartrijden?

Ik deed of ik het niet hoorde. Een boetvaardige zoektocht door een drukke intercity naar een taakbewuste conducteur trok me niet aan. Het leek me niet zeker dat hij me troostend op de schouder zou kloppen, uitroepend: „Ik vind het zó eerlijk dat je vrijwillig naar mij toe bent gekomen dat ik voor deze keer over mijn hart zal strijken. Maar doe het nooit meer, Frits, want de volgende keer móét ik je met een dikke boete in de hoek van de trein zetten.”

Waarom zou ik roomser zijn dan de paus, of protestanter dan Kees van der Staaij? Ik besloot op mijn plaats te blijven en de loop der dingen af te wachten. Naast me zat een vriendelijke, oude dame te dutten. Zou ze erg schrikken als de conducteur me straks staande een kruisverhoor zou afnemen: „Waar moeten wij naartoe? Waarom hebben wij ons niet uit onszelf gemeld? Vergeten wij zogenaamd wel vaker in te checken? En dan nu naam en adres graag. Mogen wij ook even de chipkaart zien? Goh, het lijkt Kees van der Staaij wel.”

Ik moest naar Hilversum, een tochtje van twintig minuten. Dat is heel lang als je zwartrijder bent. Elke keer als de tussendeur openging, vreesde ik met bonzend hart de conducteursstem met zijn quasi-opgeruimde „Goedemiddag!”

Toen ik ten slotte onbetrapt arriveerde, wist ik waarom ik destijds niet het pad van de misdaad – zoveel lonender dan dat van de journalistiek – was opgegaan: te laf.