Testikels afknijpen geldt als doping

Bewust je tenen breken of je testikels afknijpen voor een betere prestatie: het gebeurt. Bij de Paralympics is boosting, zoals deze ‘doping’ heet, voor het eerst verboden.

Gehandicapte sporters gaan wel eens op punaises zitten. Of laten de blaas extreem vollopen. Of snoeren de rolstoelriem extra hard aan. Van die methodes is Herman Holtslag op de hoogte. Maar de revalidatiearts van de Nederlandse ploeg bij de Paralympics kijkt ervan op dat sporters ook bewust tenen breken of testikels afknijpen om hun prestatie te verbeteren.

En toch worden ook die voorbeelden genoemd in krantenpublicaties als het gaat om ‘boosting’, een manier om de bloeddruk of het hartritme te verhogen om daarmee de prestatie te verbeteren. Boosting kan bij sporters met een dwarslaesie – bij amputaties is het ondenkbaar – een krachtsexplosie teweegbrengen. Het is in de gehandicaptensport een beproefde fysieke vorm van doping, die vanaf vandaag bij de Paralympics in Londen voor het eerst is verboden.

Boosting prikkelt het sympatisch zenuwstelsel, legt Holtslag uit. „Je pompt er adrenaline mee op. Vergelijk het met iemand die heel angstig of heel boos is. Die is liggend onder een auto in staat het voertuig op te tillen.” Bij valide sporters gaan inspanningen gepaard met verhoging van de bloeddruk en de hartslag. Dat automatisme ontbreekt veelal bij sporters met een dwarslaesie. Hun bloeddruk is doorgaans laag. „Met boosting maken zij gebruik van een systeem dat eigenlijk stuk is, maar wel kan worden ingezet om de prestatie te verbeteren”, vertelt Holtslag, die binnen het Nederlandse medische team verantwoordelijk is voor de handicapgerelateerde begeleiding.

Met een verbod op boosting kan Holtslag leven, maar de arts vraagt zich wel hardop af hoe het internationaal paralympisch comité (IPC) gaat controleren. De officiële regel is dat een sporter met een hartslag boven de 180 slagen per minuut tien minuten de tijd voor herstel krijgt. Is de frequentie binnen die termijn niet verlaagd, dan wordt hij of zij uitgesloten van deelname. Slechts voor één wedstrijd, niet voor de gehele Paralympics. Daarvoor mist de ban op boosting nog de juridische grondslag.

De Belgische arts Peter van de Vliet, hoofd medische afdeling van het IPC, verklaart op de website van de Britse omroep BBC dat sporters tot kort voor het begin van de Paralympics worden getest. Bij verdenking van boosting – symptonen zijn overmatig zweten, vergrote oogpupillen, een witte huid of kippenvel – volgt een aanvullende meting van de bloeddruk. Op grond van zijn ervaring voorafgaande aan de vorige Paralympics in Peking, waar van de twintig metingen er geen boven de ‘180’ uitkwam, verwacht Van de Vliet voor aanvang geen startverboden.

Onderzoek tijdens de Paralympics in Peking leerde dat van de sporters met een dwarslaesie toch nog 17 procent aan boosting had gedaan; vooral bij rolstoelrugby, rolstoelmarathon en langeafstandsracen. Volgens deskundigen is dat cijfer zelfs aan de lage kant. De Canadese arts Andrei Krassioukov, specialist op het gebied van dwarslaesies en werkzaam aan de universiteit van British Colombia, schat tegenover de BBC dat aantal „hoger dan 30 procent”.

Krassioukovs verklaring is simpel: „Mensen voelen zich op hun best met een gebruikelijke bloeddruk. Sporters die aan boosting doen, hebben er alles voor over om te winnen. En dat is moeilijk met een fysiologische achterstand op sporters met een normale bloeddruk. Als medicus begrijp ik de beweegredenen, maar als wetenschapper gruw ik van boosting. Omdat het gevaarlijk is.”

Om die reden is boosting binnen de Nederlandse ploeg al jaren verboden, zegt Holtslag. „De methode brengt grote risico’s met zich mee. Het kan hart- en vaatafwijkingen veroorzaken of in het ergste geval tot een beroerte of een hartinfarct leiden. Binnen het Nederlandse team willen we alle risico’s uitsluiten en ervoor zorgen dat onze sporters gezond blijven. En mochten we boosting constateren, dan grijpen we onmiddellijk in.”

Een oplossing van het probleem met boosting zou volgens dokter Krassioukov aanpassing van het classificatiesysteem kunnen zijn. Hij pleit voor een aparte categorie van sporters met een lage bloeddruk. Maar of het ooit zover komt, is twijfelachtig; de gehandicaptensport kent al zoveel klassen. En volgens het IPC komt uitbreiding het overzicht en de geloofwaardigheid van de sport niet in alle gevallen ten goede.

Hoe meer categorieën, hoe meer discussie over de indeling. Zeker bij grensgevallen. Een klasse hoger betekent vaak dat de hoop op medailles de grond wordt ingeboord. En volgens Holtslag gaat het vaak om minieme verschillen. Als begeleider van het classificatiesysteem kan de arts bij een enkele sporter net dat voordelige verschil maken. Onder de Nederlandse sporters zijn volgens Holtslag nu geen bespreekgevallen – „wij laten twijfelgevallen thuis”. De Amerikanen hebben dat niet gedaan, waarna een aantal hoger is ingedeeld dan ze hadden gehoopt.

De indeling in klassen bij gehandicapte sporters is van essentieel belang, omdat anders de krachtsverschillen onaanvaardbaar groot zouden zijn. Buiten dat kunnen blinden onmogelijk tegen rolstoelgebonden sporters uitkomen. Globaal wordt er een onderscheid gemaakt tussen visueel en verstandelijk gehandicapten, sporters met een dwarslaesie of een amputatie, sporters die aan een rolstoel zijn gebonden of slechte arm- en rompfuncties hebben. Bij zitvolleybal zijn de beperkingen minimaal en worden twee klassen gehanteerd. Bij CP-voetbal gelden weer acht klassen, waarbij in de categorie met de minste beperkingen maximaal drie spelers mogen worden opgesteld.