Roestige Griekse havenstad te huur

Privatisering is cruciaal voor het herstel van de Griekse economie. De ambities zijn groot, maar de resultaten stellen teleur. Ook al ligt de vakbond niet meer dwars.

Sinds het begin van de eurocrisis blijven de schepen weg uit de haven van Thessaloniki. Privatisering moet de zieltogende haven redden. Foto Hollandse Hoogte

thessaloniki. - Op pier zes van de haven van Thessaloniki beweegt weinig. De kranen staan stil. De binnenstad, op amper een kilometer afstand, zindert in de zon. Een eenzame graafmachine schept lading in een roestkleurige goederentrein.

Wie hierin het kloppende commerciële hart van de Balkan wil zien, moet zijn fantasie gebruiken.

Dat gebeurt volop. Op papier is de haven een van de tot de verbeelding sprekende bezittingen van de Griekse staat (75 procent aandeelhouder), die nu verpacht zou moeten worden aan een grote investeerder.

Gesprekken over dat voornemen draaien steevast uit op uitvoerige bespiegelingen over de glorietijd. Tussen de Middeleeuwen en de Tweede Wereldoorlog bediende Thessaloniki vanuit de Griekse oksel een wijds achterland. Die tijden hadden kunnen herleven na de val van het IJzeren Gordijn in 1989. Maar die kans is gemist.

Het gesprek stokt als de afgelopen jaren ter sprake komen, waarin het aantal schepen dat aanlegt dramatisch is verminderd en investeerders met langdurige stakingen zijn verjaagd. Zoals Hutchison Port Holdings uit Hongkong, dat wereldwijd 52 havens in 26 landen heeft, waaronder de ECT terminals in Rotterdam. En het Chinese staatsbedrijf Cosco. Lokale ondernemers leden grote verliezen.

Op de vraag wanneer weer een poging zal worden ondernomen een investeerder te vinden die pier zes wil exploiteren en moderniseren, blijven concrete antwoorden uit. „Het politieke besluit om te privatiseren is er”, verzekert minister voor Macedonië -Thracië, Theodoros Karaoglou, wiens departement in Thessaloniki zit. „Het kader voor de tender is klaar”, zegt Stelios Aggeloudis, de bestuursvoorzitter van de Havenautoriteit, in zijn kantoor op pier 1, waar de pakhuizen zijn verbouwd tot musea en filmhuizen.

Praten over het privatiseren van de haven van Thessaloniki is als praten over privatiseringen in Griekenland in het algemeen. De ambities van de nieuwe regering zijn net als die van de vorige, huizenhoog. „Een topprioriteit”, zei de nieuwe minister van Financiën Yannis Stournaras kort na zijn aantreden begin deze zomer. En „de voornaamste pilaar onder de structurele hervorming van de economie”. Hij is al jaren een uitgesproken voorstander van het opschudden van de Griekse economie door private investeerders.

De realiteit is tot nu toe echter teleurstellend.

Begint de tender voor de haven dit jaar nog? „Daar kan ik niks over zeggen. Het nieuwe bestuur is nog niet beëdigd. De laatste formele besluiten zijn op 15 mei van dit jaar afgerond,” antwoordt de woordvoerder van het Hellenic Republic Asset Development Fund (HRADF), het fonds dat de privatiseringen uitvoert. „Er is nog een klein bureaucratisch probleem dat, denk ik, binnen een paar weken is opgelost.”

Waarom duurt het allemaal zo lang?

De antwoorden verschillen in lengte. Een lange versie komt van Aggeloudis van de Havenautoriteit in Thessaloniki. Hij heeft de dagelijks leiding in de haven en is benoemd door de sociaal-democratische partij, Pasok. Dit voorjaar maakte Aggeloudis zich drie weken los van zijn werk in de haven om campagne te gaan voeren voor partijleider Evangelos Venizelos, die ook uit Thessaloniki komt.

Wat hij zegt komt erop neer dat privatiseren een heel complex proces is, met moeilijke Europese regels. De vorige drie regeringen wilden wel, maar hadden er nog weinig ervaring mee. „En dan waren er natuurlijk de financiële crisis en de verkiezingen die voor vertraging zorgden.”

De nieuwe minister voor Macedonië -Thracië, Theodoros Karaoglou, is bondiger. Er was geen politieke wil, zegt hij in het negentiende eeuwse regeringspand in het centrum van de havenstad. Dat komt door de nauwe banden tussen Pasok en de vakbonden. „De laatste Pasok regering zei telkens dat ze iets zouden doen. En deden dat vervolgens niet. Dat heeft het imago van ons land beschadigd.”

Nu is dat volgens Karaoglou, zelf van de conservatieve partij Nieuwe Democratie, allemaal anders hoewel hij dat nog niet met concrete privatiseringen kan bewijzen. „Inmiddels weet iedereen dat wie hier komt investeren, dat niet doet om zijn eigen werknemers mee te brengen en salarissen te verlagen.”

Dat is een verwijzing naar 2008 toen het Chinese staatsbedrijf Cosco een groot deel opkocht van de containerhaven in Piraeus, vlakbij Athene. Cosco gold destijds ook als de voornaamste kanshebber voor de overname van pier 6 in Thessaloniki. Maarde Chinese reder riep in Griekenland schrikbeelden op van uitgeklede werknemersrechten en hongerlonen en de vakbonden protesteerden fel.

Halverwege 2008 begon in Thessaloniki een reeks stakingen van havenarbeiders die tot midden 2009 duurde. In 2008 legden nog 1.065 schepen aan in de haven. In 2009 waren het er 599. In 2011 nog weer minder, hoewel er inmiddels voorzichtige tekenen van herstel zijn.

Kyriakos Loufakis, directeur en eigenaar van een chemiebedrijf in Thessaloniki (48 werknemers) dat de helft van zijn productie naar andere landen op de Balkan exporteert, kan het zich nog levendig herinneren. „Sabotage”, noemt hij de acties van de bonden, die ervan worden beschuldigd alleen de belangen van een kleine groep erg goed betaalde dokwerkers te behartigen. „De economie van Noord-Griekenland heeft er zwaar onder geleden. Het aandeel export in mijn bedrijf had veel groter kunnen zijn dan de huidige 45 procent als Thessaloniki echt als een regionale hub zou functioneren.”

De vertragingen hebben hem klanten gekost. Hij kon zijn leveranties niet meer garanderen, de aanvoer van grondstoffen stokte. „Om toch door te blijven draaien moesten we uitwijken naar de haven van Kavala en naar transport over de weg”, vertelt hij in zijn kantoor in een nieuwe bedrijfshal.

Het pand ligt naast het verouderde goederenspoor waarover de treinen naar Skopje en Istanbul rijden. De spoorwegen, nog zo’n staatsbedrijf dat schreeuwt om modernisering, verzucht hij. Inmiddels leidt zijn bedrijf vooral onder de huidige crisis en het gebrek aan liquiditeit bij banken. „Onze omzet is gedaald van 15 naar 10 miljoen.”

Maar het is nog niet te laat voor de haven en voor Griekenland, zegt Loufakis. Hij ziet een mentaliteitsverandering bij zowel politieke partijen als bij bonden. In peilingen blijkt de Griekse bevolking voorstander. En de strategische locatie waar Thessaloniki vroeger al van profiteerde blijft, hoewel de concurrentie van opkomende havens aan de Zwarte Zee en in Kroatië toeneemt.

Vakbondsvrouw Fani Gourgouri klinkt moegestreden terwijl ze rondleidt over pier 6. Ze zegt dingen die voorheen ongekend waren uit de mond van een Griekse vakbondsbestuurder. De omstandigheden zijn veranderd, benadrukt ze. De economische nood is hoog en het enige wat nu nog telt is werk. „We hebben een sterke haven nodig om te ontwikkelen. En een nationaal beleid dat voor groei zorgt.”

Hardnekkige verhalen over havenarbeiders die – alles bij elkaar op geteld – jaarlijks een ton verdienen en vooral staken omdat ze niet onder een commerciële baas willen werken, behoren volgens Gourgouri tot „mythes uit het verleden”. Ze klinkt bijna alsof zij de vertegenwoordiger is die de deal moet sluiten.

De salarissen zijn tijdens de crisis met 35 procent gekort, zegt Gourgouri. Een gemiddeld jaarssalaris is nu rond de 35.000 euro. Met een wrang lachje zegt ze. „De lonen zijn al laag. Cosco hoeft zich geen zorgen te maken.”