Rechtbank Breda haalt Successiewet onderuit

De rechtbank in Breda verlaagde de belastingaanslag voor een erfgenaam. Dreigt een extra gat in de rijksbe-groting, of is het loos alarm?

Heeft de rechtbank Breda een lek van 1 miljard euro in de staatskas geschoten? En heeft één van de betrokken rechters haar wetenschappelijke opvattingen over de Nederlandse Successiewet doorgedrukt in dit vonnis?

Twee vragen die de beroering weerspiegelen die afgelopen weken onder fiscaal juristen en accountants is ontstaan. Aanleiding vormde een uitspraak van de Bredase rechtbank in een proefproces over erfbelasting. Mocht dat oordeel in hoger beroep standhouden, dan zou dat de staat jaarlijks 1 miljard euro aan inkomsten kunnen schelen, erkende demissionair staatssecretaris Frans Weekers (Financiën, VVD) vorige week in antwoord op Kamervragen. Maar hij verwacht niet dat het zover komt.

In de rechtszaak gaat het om een man die in 2007 een boerderij, landbouwgrond en -machines erfde. Het bedrijf lag sinds 2004 stil. De Belastingdienst oordeelde dat de erfenis ‘privévermogen’ betrof en sloeg de ontvanger aan voor het volle pond.

De belanghebbende ging in beroep. Hij claimde recht te hebben op (gedeeltelijke) vrijstelling van erfbelasting, zoals die ook geldt bij nalatenschappen die als ‘ondernemingsvermogen’ worden aangemerkt. De Successiewet zou ten onrechte onderscheid maken tussen beide categorieën.

Zijn grief tegen de aanslag vond half juli gehoor bij de rechtbank Breda. Deze bestempelde het onderscheid in de fiscale behandeling van privé- en ondernemingsvermogen op grond van internationale verdragen tot „ongeoorloofde discriminatie”. Verkrijgers van privévermogen moeten volgens de rechtbank dezelfde gunstige fiscale behandeling krijgen als verkrijgers van ondernemingsvermogen. Dat scheelde in de erfgenaam in deze zaak een paar ton.

De Belastingdienst gaat in hoger beroep en zal desnoods in cassatie aantekenen bij de Hoge Raad, heeft staatssecretaris Weekers laten weten. Volgens hem heeft de Hoge Raad zich vorig jaar al over dezelfde rechtsvraag gebogen en toen vastgesteld dat het onderscheid in de Successiewet niet in strijd is met het discriminatieverbod dat voortvloeit uit internationale verdragen. Hij ziet de uitkomst van de beroepszaak „met vertrouwen tegemoet”.

Ophef rees er ook over de betrokkenheid van de Tilburgse hoogleraar belastingrecht Inge van Vijfeijken bij het vonnis. Zij maakte als plaatsvervanger deel uit van de drie leden tellende belastingkamer van de rechtbank die het oordeel velde. Als wetenschapper keerde zij zich tegen het onderscheid tussen ondernemings- en privévermogen omdat het verboden discriminatie zou zijn.

Voorzitter Erik van den Emster van de Raad voor de rechtspraak riep de gerechten begin deze week op „terughoudend” te zijn met de inzet van rechters-plaatsvervanger, „zeker bij belangrijke zaken”. De Raad treedt op als belangenbehartiger van de rechtbanken en gerechtshoven.

Een voordeel van plaatsvervangers is dat gerechten zo extra expertise kunnen inschakelen. „Maar dat kun je vaak ook met getuigen-deskundigen oplossen.” Die kunnen in het openbaar aan de tand worden gevoeld, terwijl de opvattingen van rechters het ‘geheim van de raadkamer’ blijven, reageerde Van den Emster op rechtspraak.nl. „Het kan heel zinvol zijn plaatsvervangers bij specifieke zaken in te zetten, en dat gebeurt integer. Maar de maatschappij heeft soms vragen bij hun rol, en met die factor hebben wij rekening te houden”, aldus Van den Emster.