Pas bij de derde klap sla je terug. Genadeloos

Pencak silat is hot in Indonesië. Een film over deze eeuwenoude vechtsport, The Raid , is ongekend populair. De hoofdrolspeler: „Mijn opa kon kogels opvangen met zijn billen. Geen schrammetje.”

Pencak silat tijdens de Asian Beach Games op Bali, oktober 2008. Foto Getty Images

Als Iko Uwais een hand geeft, gaat zijn linkerhand mee. Stel dat de bezoekende journalist de begroeting misbruikt om hem een klap te verkopen? Dan kan hij die met links blokkeren en de journalist met enkele snelle bewegingen uitschakelen, laat hij zien. „Sorry hoor”, verontschuldigt hij zich. „Ik ben er zo aan gewend.”

Iko Uwais is een meester in de Indonesische krijgskunst pencak silat. En sinds een paar jaar filmster. Hij speelde de hoofdrol en bedacht de vechtchoreografie voor The Raid, een Indonesische film die dit jaar een wereldhit is in het vechtfilmcircuit. Voor het eerst leerde een internationaal miljoenenpubliek pencak silat in de bioscoop kennen.

In The Raid moet een beginnend SWAT-team zich een weg vechten uit een flatgebouw vol gangsters. Met pijlsnelle handbewegingen, het lichaam laag bij de grond. En met minder salto’s en andere acrobatiek dan in veel andere vechtfilms. Uwais vecht met messen, of tegen achttien tegenstanders tegelijk.

Dat pencak silat voor al die situaties in een passende tegenaanval voorziet, is één van de kenmerken die regisseur Gareth Huw Evans zo aantrekkelijk vond toen hij rond 2005 met de vechtsport kennismaakte, vertelt hij. Hij en zijn Japans-Indonesische vrouw verhuisden van Wales, waar hij geboren werd, naar Jakarta, waar hij een documentaire over pencak silat maakte.

Hij ontdekte een vechtsport die nog puur en traditioneel is. „Ze zitten niet in een gymzaal waar mensen een uurtje klappen uitdelen en weer naar huis gaan. Ze komen thuis bij hun leraar, met wie ze een echte band hebben.”

Evans was vooral getroffen door alle culturele en religieuze aspecten die ermee samenhangen. Niet voor niets begint The Raid met een biddende Uwais. „Het is niet gewoon een hobby, maar echt deel van hun leven.”

De krijgskunst werd al beoefend toen in de 14de eeuw de koningen van het Majapahit-tijdperk over Java heersten, vertelt de 81-jarige oud-militair Eddie Nalapraya. Hij wordt in Indonesië de ‘vader van pencak silat’ genoemd. Hij professionaliseerde de sport en was decennialang president van de pencak silat-bond.

Krijgers van de diverse koninkrijken in de archipel gebruikten het destijds om elkaar te bevechten, zegt hij. In Sumatra noemde men het ‘silat’, op Java ‘pencak’. Na de onafhankelijkheid is dat pencak silat geworden.

Tijdens de Nederlandse overheersing mocht de krijgskunst niet worden beoefend, want dat zou het nationalisme maar aanwakkeren. Nalapraya herinnert zich hoe hij stiekem les kreeg van zijn opa, toen de Nederlandse politie binnenviel. Ze ontkwamen door te zeggen dat ze aan het dansen waren. Veel legendarische silathelden en -heldinnen verwierven faam door hun rol in de onafhankelijkheidsoorlog.

Nu telt Indonesië honderden pencak silat-clubs, in steden en dorpen. Tijdens huwelijken en officiële bijeenkomsten worden demonstraties gegeven. En het is uitgegroeid tot een internationale sport, waarvoor elke twee jaar een wereldkampioenschap plaatsvindt. Er zijn wedstrijden voor artistieke uitvoering en voor gevechten.

De verscheidenheid van de Indonesische eilanden maakte dat zich talloze stijlen ontwikkelden. Nalapraya vertelt dat strijders in het bosrijke Sumatra laag bij de grond hangen om zich te verdedigen tegen wilde dieren. In het dichtbevolkte Java wordt veel geschopt, om menselijke vijanden op afstand te houden. In Jakarta waren van oudsher veel invloeden van buitenaf en is de stijl beïnvloed door Chinese vechtsporten. Dat leidde tot veel korte handbewegingen en nauwelijks trappen.

Het resultaat is een veelzijdige krijgskunst die sierlijkheid combineert met grof geweld. Iko Uwais laat enkele manoeuvres zien die volgens hem een tegenstander invalide kunnen maken. Keihard met de middelvinger tegen het neusbotje slaan, zodat de oogballen eruit worden gedrukt. Op het achterhoofd, op de slapen, onder de kaken: dat zijn de zwakke plekken.

Maar pencak silat is niet bedoeld om vechtmachines te creëren, zegt Uwais. Het is bedoeld als zelfverdediging. Een silatstijl in West-Java leert vechters vooral de slagen van de tegenstander te blokkeren; pas bij de derde klap mogen ze iets terugdoen. Zijn oom die hem pencak silat leerde, zegt altijd dat het beter is de vijand te ontwijken dan met hem te vechten.

Het gaat bij pencak silat niet alleen om fysieke zelfverdediging; training van de geest is minstens zo belangrijk. Vechters leren hun emoties en pijn te controleren, zodat de tegenstander hun zwakke plek niet ontdekt. Verscherping van het instinct is nodig om vast te stellen of een onbekende kwaad in de zin heeft. Vroomheid moet vechters nederig houden en zorgen dat ze hun vaardigheden voor het goede doel inzetten. „Als ik vecht en het doet pijn, komt dat van Allah”, leerde Uwais van zijn oom. „En waarom? Misschien ben ik te arrogant geweest.” Hij begint zijn training altijd met een gebed.

Ook het bovennatuurlijke is in Indonesische pencak silat-kringen nooit ver weg. Eens in de zoveel tijd berichten lokale media over pencak silat-vechters die overlijden tijdens een mislukte poging om onkwetsbaar te worden. Begin dit jaar stierven twee mannen in Kupang toen ze een auto vol vrienden over zich heen lieten rijden. Eerst hadden ze rattengif gegeten en bromfietsen over zich heen laten crossen, om te laten zien dat ze de kunst van de onaantastbaarheid onder de knie hadden. Bij de laatste test bleken ze toch niet zo ver te zijn.

Uwais gelooft er niet in. Hij heeft nog nooit ervaren dat iemand hem duwde zonder hem aan te raken of dat het niet lukte iemand te slaan. Alleen vechters van vroeger bezaten zulke mystieke krachten, zegt hij. Zijn opa was een pencak silat-meester. Er gaan mythische verhalen over hem.

Hij trouwde 49 keer en gebruikte een riviertje bij zijn huis om hoofden van vermoorde tegenstanders in te gooien. Toen hij door Nederlandse kolonialen gevangen was gezet, ontsnapte hij zonder dat de gevangenisdeur openging. Toen de Nederlanders hem beschoten, liet hij zijn broek zakken om de kogels met zijn billen op te vangen. Hij had geen schrammetje.

Tegenwoordig zijn vechters te veel bezig met wereldse zaken en te weinig met Allah, denkt Uwais. „Vroeger konden vechters misschien vliegen. Maar nu: als Allah het niet geeft, gebeurt het niet. Al lees je de Koran dertig keer.”

Die mystieke kant domineert de pencak silat-films die tot nu toe werden gemaakt, zegt regisseur Evans. Vechters vliegen rond en veranderen in panters of vuurballen. Hij wilde zijn film juist realistisch maken. Zo min mogelijk montage en slowmotion. Een opname was vaak pas goed als de acteurs écht vochten, zonder zich in te houden, zegt Uwais. „’s Avonds deed alles pijn.”

Zij hopen dat het succes van The Raid de vechtsport een nieuwe impuls geeft. Want pencak silat leed onder een ouderwets imago, zegt Uwais. Een sport voor de kampong, niet cool. Hippe hoofdstedelingen deden liever iets modieuzers als capoeira. In internationale wedstrijden pencak silat verliest Indonesië van Vietnam. Maar nu hebben ruim een miljoen Indonesiërs The Raid in de bioscoop bezocht; een recordaantal voor een Indonesische film. En jongeren vragen Uwais of hij het hun wil leren.