Kavakos schakelt met nekhaarrijzende tonen

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. Gehoord: 29/8 Concertgebouw Amsterdam. Bartók: Mahler:

Het nieuwe seizoen moet nog beginnen, maar het Concertgebouworkest heeft de lat meteen extreem hoog gelegd: het Mahlerprogramma, waarmee dit weekend Berlijn, Salzburg en Luzern worden aangedaan, lijkt in begeesterde intensiteit niet meer te overtreffen.

Dat chef-dirigent Mariss Jansons uitblinkt in warmbloedige Mahlers is na de afgelopen herdenkingsjaren een vaststaand feit. In de Eerste symfonie demonstreerde hij gisteravond in het Concertgebouw nog eens zijn unieke kwaliteiten met een uniek orkest. De techniek is bijna perfect, de controle over de uitgestelde climaxen volledig, de transparantie optimaal.

Bovenal werd het een zeer geëngageerde uitvoering, waarbij het derde deel (Vader Jacob in mineur) niet parodistisch als wel intens verdrietig klonk. De finale leidde van het diepste dal naar het stralendste vergezicht, een emotionele overwinning van de hoop op de vertwijfeling.

Jansons’ doseerkunsten en het sprankelend kleurende orkest imponeerden reeds in Bartóks grillige Tweede vioolconcert, dat hooguit aan nog dwingender logica kan winnen. Wonderlijk hoe een rauwe en toch gepolijste textuur werd gerealiseerd.

Het werk is een lijfstuk van de Griekse violist Leonidas Kavakos, die soepel naar nekhaarrijzende fluistertonen weet te schakelen.

In de onstuimige finale bleef Kavakos onwankelbaar, wat ook bleek uit de koelbloedige wijze waarop hij tussen twee vioolsolo’s door zijn kapotte schoudersteun verwisselde met die van concertmeester Liviu Prunaru.