Welkom bij de online guerrillacampagne

Flyeren, mensen aanspreken op straat – dat is de verkiezingscampagne van vroeger. Digitale media zijn goedkoop en snel, bereiken bijna iedereen en bieden nieuwe mogelijkheden.

Jonge aanhangers van GroenLinks op het Utrechtse hoofdkwartier van waaruit ze online campagne voeren. Foto Jan Dirk van der Burg

Vergeet Roemer en Rutte, negeer Sap en Samsom. Let nu juist op mensen als Truuske, Layla, Jos, Jan of Huub. Ze zijn 22, 27 of „net twintig”. Ze hangen in hun stoelen, schoenen uit, spieden met vochtige ogen internet af op hun eigen laptops of iPads – en ze bestoken willekeurige internetgebruikers wekenlang met berichtjes over GroenLinks. Zonder erbij te zeggen dat ze iets met de partij te maken hebben. „Dan mailen we: ‘ja, goed punt maak je, natuurlijk’”, legt Layla de Jong uit. Om daar meteen achteraan te mailen: „Ga je ook stemmen? En waarop dan?”

Deze verkiezingscampagne heeft, zonder dat dit opvalt op tv of in de krant, een ander karakter dan de vorige. Vrijwel alle politieke partijen hebben hun online-campagnes geprofessionaliseerd en geïntensiveerd. Internet en e-mail werden al gebruikt, maar vooral om boodschappen te versturen – niet om een gesprek aan te gaan. Die stap is nu gezet. En, zoals dat in de internetwereld gaat, grenzen worden opgerekt.

PvdA, VVD, CDA, D66 – iedereen schuift op. GroenLinks gaat het verst in dit type campagneguerrilla. Dit groepje jongeren, weggestopt in een achterafzaaltje in het partijkantoor, voert campagne op een manier die we nog niet kenden in Nederland.

Zelf zien de vijftien twintigers en dertigers, onder leiding van Kamerlid Arjan El Fassed, geen ethisch probleem met hun underground verkiezingsstrijd. Het uitgangspunt, legt El Fassed uit, „is levelen met de onderwerpen die spelen”. Hij bedoelt dit: zijn enthousiastelingen struinen de hele dag discussiefora af waar over verzekeringen of gezondheidsproblemen wordt gepraat. Ze houden nieuwssites bij, kijken hoe partijvoorstellen vallen. En ze laten eindeloos berichtenstromen van Twitter langskomen. „Als een zorgonderwerp veel wordt besproken”, zegt El Fassed, „dan denken wij hier meteen: moeten we daar niks mee?”

Vaak wel. En dan doen zijn mensen eigenlijk niets anders, vindt hij, dan wat je in een café ziet. Ze sluiten zich aan bij een groepje en geven hun mening. „In onze eigen woorden”, legt Huub Bellemakers uit. „Dan zeggen we dus niet: ‘ik ben die en die van GroenLinks’, maar ‘ik wil ook wat zeggen’.” Als GroenLinks-aanhanger „weten wij dan precies hoe we een idee of een voorstel moeten framen”. Hij bedoelt draaien. „In onze eigen woorden is het gewoon veel geloofwaardiger.”

Klachten hebben ze nooit gehad. Dat kan twee redenen hebben. Eén: niemand neemt er aanstoot aan. Twee: niemand weet dat ze met GroenLinks van doen hebben.

Soms is het daar ook te slinks voor: stemadvies geven de medewerkers van GroenLinks niet direct, wel proberen ze het nieuws een gunstige draai te geven. Toen de partij twee weken geleden voorstelde dat alle cafés en restaurants gratis kraanwater op tafel moesten zetten, werd dat plan op internet weggehoond. Daarop ging Bellemakers subtiel in de tegenaanval. „Ik wilde eigenlijk een wetsvoorstel voor gratis bier”, schreef hij op Twitter. „Maar water is een goede eerste stap.” Hij lacht om zijn eigen grap.

Naar een verkiezingsdebat op tv kijken misschien meer mensen, maar het contact met de kiezer is op deze manier veel directer, zegt Bellemakers. „Ik kan zo direct inspelen op de gevoelens van mensen.”

Niemand gaat waarschijnlijk zo ver als GroenLinks, maar ook andere partijen doen meer online. Zo heeft het CDA piketdiensten ingesteld. Als een belangstellende een inhoudelijke vraag heeft, moet er altijd een CDA’er beschikbaar zijn voor een snel antwoord. „In ieder geval binnen 24 uur”, zegt Nelleke Weltevrede, hoofd van de CDA-online-campagne. Als de GroenLinksers dit horen, barsten ze in lachen uit. Zíj rekenen in seconden.

Of neem D66. De partij heeft een ruimte ingericht – „denk aan een callcenter” – waar vijftig getrainde vrijwilligers in ploegendienst contact leggen met potentiële kiezers. Ook zij zoeken naar plekken op internet waar over D66 gesproken wordt, de naam Pechtold valt of thema’s als Europa besproken worden. „Dan vragen we: weet je dit of dit ook?”, legt Kamerlid en campagneleider Kees Verhoeven uit. „En we gaan de discussie aan.” Daar zijn hele scripts voor, maar die wil de partij niet laten inzien.

Het grote verschil met GroenLinks is dat D66 zegt dat berichten „eigenlijk altijd” vanaf een D66-account gestuurd worden. „Tegen onze mensen zeggen we: je laat zien dat je namens D66 spreekt en dat je een misverstand over de inhoud uit de weg wilt helpen.” Vaak wordt een link naar een site van de partij meegestuurd.

Zo professioneel zou de Partij voor de Dieren het ook wel willen. Maar daar is de campagne door geldgebrek te kleinschalig voor. Daarom gaat de partij creatief te werk. Ze vraagt aanhangers tweets te ‘doneren’. Dat houdt in dat mensen hun Twitter-account ter beschikking stellen – inclusief wachtwoord. De partij stuurt dan vanaf deze persoonlijk account wervende tekstjes de wereld in.

Het campagneteam heeft nog een list bedacht. De partij heeft een bestand gemaakt van mensen die de laatste tijd iets aardigs hebben gezegd over de dierenzaak. Ze werden daarna benaderd. Willen ze niet wat vaker enthousiaste berichtjes versturen?

„Ik twitter heel veel over natuur en milieu en zo”, zegt Dominique du Fossé. Dat doet ze nu dus extra vaak, en niet zonder succes: „Ik ben zelfs met een tweet op de regionale tv geweest.”

Niemand heeft zo’n klein campagnebudget als de Partij voor de Dieren – drie ton, tegen twee miljoen van de PvdA – maar online-activiteiten zijn relatief goedkoop en op internet is veel gratis. De internetverbinding ligt er vaak al en vrijwilligers kosten weinig. Sterker: bij GroenLinks moet iedereen zelf zijn laptop meenemen. Maar wat digitaal campagne voeren kost, is onduidelijk. De partijen zelf vertellen niet hoeveel ze eraan uitgeven, en het is ook niet na te gaan. Hoe effectief de online-campagnes zijn? Vraag het Kees Verhoeven bij D66 en hij begint met benadrukken dat de straat op gaan altijd wel zal blijven. Maar daarna komen toch een paar getallen: 95 procent van de Nederlanders heeft een internetaansluiting. Er zijn 9 miljoen kiezers, van wie er dus ruim 8 miljoen online zijn. „En al die miljoenen mensen op Facebook. Online bereik je veel mensen. Met flyeren zie je ook mensen langstrekken, maar hoeveel spréék je er nou helemaal?”

Zoals GroenLinks zelf actief mensen benadert die ergens over praten, waarbij het criterium het onderwerp is, zo gebruiken de partijen Facebook om op type kiezer te selecteren. De PvdA zou bijvoorbeeld mensen kunnen benaderen die zijn getrouwd, in Zoetermeer wonen, tussen de 40 en 50 jaar oud zijn, twee kinderen hebben en van Nederlandstalige muziek houden.

„Je kunt daar van alles mee doen”, zegt PvdA-woordvoerder Simone van Geest. Voorbeeld: Facebookers benaderen die in hun profiel hebben staan dat ze studeren. „Die krijgen dan te zien: check bij onze onderwijswoordvoerder onze plannen voor de langstudeerboete.”

Het is nog experimenteren. Nederlandse partijen zoeken uit wat het beste voor ze werkt, maar er is geen partij die zonder online-strategie zegt te kunnen.

En het smaakt naar meer. Kleine dingetjes maken dat duidelijk. Neem het CDA. De partij geeft aanhangers op internet de mogelijkheid in de vroege ochtend van 12 september automatisch een berichtje aan al hun digitale contacten te sturen. De inhoud is simpel: „Ga stemmen.”