Column

W. Holleeder

Dat ik bij het lezen van Anton Tsjechov nog eens aan Willem Holleeder zou denken, had ik niet verwacht. Het zijn geen namen die je in één adem pleegt te noemen. Toch overkwam het me bij herlezing van de twee pagina’s tellende schets Op het postkantoor in het eerste deel van de verzamelde werken van Tsjechov. Ik moest onmiddellijk denken aan een grappige anekdote die mij onlangs ter ore kwam en met Holleeder te maken heeft.

Maar eerst Tsjechov.

In zijn verhaaltje beschrijft hij de nazit van een begrafenis van een jonge vrouw. Ze was pas twintig, bijna veertig jaar jonger dan haar man, een gewezen postdirecteur. De weduwnaar is erg verdrietig en barst boven de pannekoeken in snikken uit:

„Kijk, die pannekoeken nu eens! Zo blozend zag zij er nu ook uit, toen ze nog leefde. En even mooi ook.” Hij prijst haar dat zij hem, ondanks het leeftijdsverschil, altijd trouw is gebleven. „Nooit heeft zij mij, oude man, bedrogen!”

Een diaken trekt zijn woorden weinig tactvol in twijfel, zodat de weduwnaar zich gedwongen ziet zijn bewering te bewijzen. „Ik heb haar met alle mogelijke middelen in die echtelijke trouw gesteund, middelen, om het zo eens uit te drukken, van strategische aard, vestingwerken bij wijze van spreken. [...] Ik heb een slimmigheidje bedacht om de echtelijke sponde te bewaken.”

Wat bleek? Hij had een „minder fraai gerucht” over zijn vrouw Aljona verspreid. Overal vertelde hij dat zij in feite met de chef van de politie, Zalichwatski, samenleefde. Dat was afdoende. „Geen man die het meer zou wagen avances te maken bij Aljona, uit angst voor de woede van de commissaris. Als iemand haar op straat tegenkwam, nam hij altijd meteen de benen, want anders zou die Zalichwatski er misschien iets van kunnen denken!”

De aanwezigen zwijgen verbluft. Dus Aljona en de commissaris hadden helemaal geen affaire gehad? De weduwnaar knikt. „Wel, jonge lieden, ik heb jullie er knap tussen gehad, niet? Want zo zat de vork in de steel.”

Wat heeft Holleeder hiermee te maken? Heeft hij ook op die manier een veel jongere vrouw aan zich gebonden? Nee, het zit heel anders. We moeten, hoe moeilijk ook, Holleeder verplaatsen naar de positie van de commissaris, wiens naam en functie ter afschrikking misbruikt werden door een derde. Dat overkomt Holleeder ook weleens.

Langs een rustige gracht in de Amsterdamse Jordaan liggen naast elkaar veel bootjes geparkeerd. Er is nauwelijks plaats voor nieuwe boten. Wie eenmaal een plekje heeft, staat het niet gauw meer af. Maar opstaan (even een tochtje maken) kán betekenen: plaats vergaan. Het is publiek domein, je kunt geen afmeerplek opeisen. Het plaatsen van reserverings- of naambordjes aan de kadekant is dan ook zinloos. Tenzij…

Precies, dacht de slimmerik, die eigenaar is van het gammele, onder een goor, blauwig zeil verborgen bootje in de gracht. Hij hing aan de kadekant een bordje op met het opschrift: W. Holleeder. Het bordje gaat schuil achter het afgemeerde bootje en wordt pas zichtbaar als de eigenaar zijn plek voor een tochtje verlaat. Dit doet hij onbezorgd fluitend, want hij weet dat niemand het lef heeft om op deze plek aan te leggen. Althans, neem ik (en neemt hij) aan, zolang Holleeder op vrije voeten is.

Tsjechov had het kúnnen bedenken.

Wie de eigenaar is, weet ik niet. Hij zal wel geen groot schrijver zijn, maar sluwheid en gevoel voor humor mogen wij hem niet ontzeggen.