Van der Staaijs uitspraak: is onwaar ‘Verkrachting leidt maar in 0,5 procent van de gevallen tot zwangerschap’

waargrotendeels waarhalf waargrotendeels onwaaronwaar

Wat beweerde SGP-leider Kees van der Staaij gisteren nou precies? ’s Middags vroeg Frits Wester van RTL of hij, net als de Amerikaanse kandidaat-senator Todd Akin beweerde, gelooft dat vrouwen een mechanisme hebben waardoor ze bij verkrachting niet zwanger worden. Van der Staaij antwoordde: „Dat is een feit, dat dat maar heel weinig gebeurt.”

Bedoelde Van der Staaij daarmee dat de kans om zwanger te worden na verkrachting kleiner is dan na vrijwillige seks? Of alleen dat de kans om zwanger te worden, al dan niet na een verkrachting, klein is?

Op Radio 1 bood hij gisteravond uitsluitsel. Hij baseert zich op (vaak door religieuze groeperingen aangehaald) Amerikaans onderzoek uit de jaren tachtig dat stelt dat na verkrachting „in iets meer dan 0,5 procent van de gevallen een zwangerschap was ontstaan”. Die bewering is te controleren.

De University of South Carolina deed in 1996 een steekproef onder 4.008 vrouwen, van wie 12 procent zei ooit te zijn verkracht. Bij de slachtoffers tussen 12 en 45, de vruchtbare leeftijd, leidde die verkrachting in 5 procent van de gevallen tot zwangerschap. Dat percentage zou vrijwel gelijk zijn aan de kans op zwangerschap na vrijwillige seks.

Later onderzoek uit de VS, in 2003 gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Human Nature, komt tot andere percentages. Van de 405 verkrachte vrouwen die meewerkten, bleek 6,42 procent zwanger te zijn geworden van die verkrachting. Volgens de onderzoekers is dat na ‘reguliere’ seks gemiddeld 3,1 procent; significant lager dus. Aangepast voor gebruik van anticonceptie door de verkrachte vrouw was het percentage zwangerschappen na verkrachting zelfs 7,98 procent.

Een studie uit 2000, gepubliceerd in het Journal of Preventive Medicine, had een soortgelijke uitkomst. De onderzoekers schatten daarin dat uit de 333.000 gevallen van verkrachting die in 1998 in de VS werden gerapporteerd, 25.000 zwangerschappen voorkwamen. Dat is dus iets meer dan 7,5 procent.

De studie uit 2003 geeft een mogelijke verklaring voor dit relatief hoge percentage. Vrouwen die het slachtoffer van verkrachting worden, zijn gemiddeld jong en dus in hoge mate vruchtbaar.

Er zijn ook Nederlandse data beschikbaar. In 2009 deed Rutgers WPF, het kenniscentrum voor seksualiteit, een bevolkingsbrede steekproef genaamd Seksuele gezondheid in Nederland. Daaruit kwam naar voren dat van alle vrouwen die zeiden te zijn verkracht, 6,9 procent daarbij zwanger raakte. Dit is niet, zoals de eerder aangehaalde Amerikaanse onderzoeken, een percentage ‘per incident’. Vrouwen die over een langere periode vaker verkracht werden, en bij één van die keren zwanger raakten, zijn hierin dus ook geteld. Over hoe groot dat gedeelte is, is geen uitspraak te doen. Het is dus ook niet zuiver om te zeggen dat 6,9 procent van de verkrachtingen in Nederland leidt tot zwangerschap, omdat hier – in een onbekend aantal gevallen – sprake kan zijn van meerdere verkrachtingen.

Wat een oordeel lastig maakt, is dat er geen cijfers bestaan over de kans op zwangerschap bij één keer seks. Het moment in de ovulatiecyclus is doorslaggevend – dat geldt zowel voor vrijwillige seks als bij verkrachting. Al met al is het dus onmogelijk een eenduidige conclusie te trekken over hoe vaak een verkrachting leidt tot zwangerschap.

Geen van de recente wetenschappelijke onderzoeken veronderstelt in elk geval dat die kans lager zou zijn dan bij reguliere, vrijwillige seks. Sterker nog: onder verkrachtingsslachtoffers lijkt zwangerschap zelfs relatief vaker voor te komen. De cijfers daarover variëren tussen de 4 en de 7,98 procent, vér boven de door Van der Staaij genoemde 0,5 procent. Zijn uitspraak kan dan ook beoordeeld worden als onwaar.