Sigur Rós schildert wijds met muziek

Pop

Sigur Rós. Gehoord: 28/8 Paradiso, Amsterdam. Herhaling: 29/8 aldaar. ***

Traag, atmosferisch, bombastische momenten. Achttien jaar heeft Sigur Rós de verleiding om het roer drastisch om te gooien kunnen weerstaan. De meest recente cd Valtari (2012) is zelfs weer wat stemmiger en ingetogener dan die daarvoor.

Het IJslandse Sigur Rós ontwikkelde een eigen genre, waarin de regels en normen van de popmuziek slim ontweken worden. Liedjes hebben niet de bekende afwisseling van refrein/couplet. Een uitdijende geluidswolk wordt zo groot tot hij lijkt te barsten en een lawaaiige ontlading plaatsheeft. Waarna het aanzwellen weer aanvangt.

De muziek, zoals gisteravond in Paradiso, wordt uitgevoerd met live-instrumenten – een band, aangevuld met een pianist, drie violen en drie trompetten – maar deze klinken nauwelijks als zichzelf: trompetten murmelen, gitaren spelen galmende klanken, violen versmelten.

De mens en zijn emoties lijken zoveel mogelijk te worden buitengesloten bij Sigur Rós. De uitgesponnen nummers – zelden onder de zes minuten – vormen eerder een reflectie van landschappen en jaargetijden. Wijds en onbegrijpelijk. Het elfkoppige gezelschap werd indirect belicht met veel clair-obscur, als op een schilderij van Rembrandt. Voorman Jónsi, in donkerrode militaire jas, speelde gitaar met een strijkstok en zong zijn gerekte lettergrepen met hoge keelstem. Indrukwekkend was de secondenlange pauze die hij inlaste tijdens Vidrar Vel Til Loftárasa. Het publiek juichte na ieder muziekstuk. Toch raakte de luisteraar verdoold in dit IJslandse muzikale landschap.