Ouders mijden gezinscentra

Centra voor Jeugd en Gezin, die 1,2 miljard euro kostten, zijn nagenoeg mislukt. Ouders maken weinig gebruik van de inlooppunten.

Rotterdam. Ze worden „nauwelijks” gebruikt, krijgen „een paar ouders per dag” over de vloer of zijn alweer afgeschaft. Het gaat niet goed met de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG).

De centra werden in 2007 opgericht na de dood van het ‘Maasmeisje’, het kind dat door haar vader was vermoord na tekortschietende hulpverlening. Minister Rouvoet zag „laagdrempelige inlooppunten” voor zich, waar gezinnen terecht kunnen met al hun hulpvragen. Deze „pedagogische huisartsenposten” zouden ook de wachtlijsten bij jeugdzorg oplossen.

Sinds dit jaar staat er in iedere Nederlandse gemeente zo’n inlooppunt. Gemeenten hebben er met geld van het Rijk 1,2 miljard euro in gestoken.

Maar jeugd en gezin blijven weg, blijkt uit een rondgang van deze krant langs CJG’s in de grootste steden van het land.

In Utrecht (vier CJG-vestigingen) komen er „nauwelijks” ouders langs met een opvoedvraag. „Mensen stellen hun vragen vooral digitaal”, zegt een woordvoerder. Zo gaat het ook in Amsterdam. „Ouders bellen en mailen veel vaker dan dat ze langskomen”, aldus een zegsman. Naar schatting gebeurt het tussen de vijf en tien keer per week. „Dat zouden er wel meer mogen zijn.”

In Rotterdam (veertien CJG’s) werd vorig jaar 4.649 keer gebruikgemaakt van een inloopspreekuur, wat neerkomt op gemiddeld zes bezoekers per week per vestiging.

Haagse gezinscentra trekken dagelijks „een handjevol” ouders. Een woordvoerder noemt het „behoorlijke cijfers”. „Maar de opvoedlijn is hier populairder.”

In Eindhoven werden vorig jaar 461 vragen gesteld in het CJG, waarvan eenderde afkomstig uit regiogemeenten. Maar het is dan ook „uitdrukkelijk níet de bedoeling” dat ouders met opvoed- en hulpvragen naar het CJG komen, schrijft het college in een brief aan de gemeenteraad. Het CJG is in Eindhoven een coördinatiepunt, geen inlooppunt. Hulp aan gezinnen vindt plaats in de thuissituatie en op scholen.

Zo pakt Breda het ook aan. „Die inlooppunten hebben we snel weer gesloten omdat het gewoon niet werkt”, zegt D66-wethouder Saskia Boelema. „De bezoekersgetallen vielen enorm tegen.” Sinds een jaar gebruikt Breda interne begeleiders op basisscholen als aanspreekpunt voor hulpvragen van ouders.

De Algemene Rekenkamer herkent het beeld dat er weinig gebruik wordt gemaakt van de inlooppunten. Het adviesorgaan trekt uit een onderzoek in 42 gemeenten in juni de conclusie dat de „ambities niet zijn waargemaakt”. De centra zouden zes dagen per week en ook enkele avonden open zijn. In kleine gemeenten zijn ze, vanwege de geringe toeloop, gemiddeld nog maar zeven uur per week open.

Waarom blijven de gezinscentra leeg? De gemeente Deventer liet vorig jaar een onderzoek uitvoeren naar de geringe belangstelling. De drie CJG-vestigingen in Deventer werden samen in een jaar tijd door slechts 24 ouders bezocht. Wat bleek: ouders hebben helemaal geen behoefte aan een fysieke plek om hun vragen te stellen. Volgens de studie vertellen ze hun problemen liever op plekken waar ze dagelijks komen, zoals op het kinderdagverblijf of de basisschool.

Ook kampt het CJG met een imagoprobleem, schrijft de Rekenkamer in haar onderzoek. Het centrum „is vooralsnog geen plek waar iedereen zonder schroom binnenloopt”, aldus de Rekenkamer. „Men heeft angst om er gezien te worden: ‘Hé, zij loopt binnen bij een CJG, die zal wel een probleem hebben’. Vooral in kleine gemeenten speelt dit gebrek aan anonimiteit een rol.”

Bovendien associëren veel ouders het centrum met Bureau Jeugdzorg dat bij zware problemen in actie komt, signaleert de Rekenkamer. Dit weerhoudt ouders ervan problemen in een CJG te delen, uit angst hun kind kwijt te raken.

Volgens hoogleraar forensische psychologie Corine de Ruiter van de Universiteit Maastricht is van meet af aan niet goed nagedacht over de opzet van de gezinscentra. „Mensen die behoefte hebben aan opvoedadvies gaan een boek lezen of kijken op internet. En de echte probleemgezinnen, de ouders die hun kinderen slaan, zoeken juist geen hulp en gaan er dus ook niet naar toe. Dat we nu met lege inloopcentra zitten, hadden we vooraf ook kunnen bedenken. Het CJG is niets anders gebleken dan een nieuwe bureaucratische laag in de jeugdzorg.”

En dat kost geld. Peter Cuyvers was de afgelopen jaren landelijk adviseur van het ministerie bij de invoering van de gezinscentra. Hij erkent dat het CJG in sommige gemeenten een geldverslindend project is geworden. „Er zijn gemeenten waar ze een heel gebouw met staf en al hebben neergezet. En dan kwamen een paar honderd mensen per jaar langs. Dan ben je dus 3.000 euro per afspraak kwijt. Echt, heel veel gemeenten hebben gewoon geen flauw benul van wat ze aan het doen zijn.”

Gemeenten waar het wél goed gaat, zegt hij, doen hetzelfde als Breda: ze gebruiken het CJG als coördinatiepunt en niet voor opvoedvragen. De inlooppunten in Breda zijn zelfs geschrapt, zegt wethouder Boelema. „In die centra zaten medewerkers eigenlijk een hele dag niets te doen. Tja. Dan schiet het zijn doel voorbij.”