Oog voor de daders hebben Belgen even niet

De vrijlating van Michelle Martin, de ex-vrouw van kinderverkrachter Marc Dutroux, schaadt het Belgische vertrouwen in de rechtsstaat. Politici willen meer inspraak van slachtoffers bij vonnissen over vroege vrijlatingen. Is dit ‘slachtoffer-populisme’?

Het is moeilijk om nu in België een politicus te vinden die het wil opnemen voor de rechten van daders. De één is nog bozer dan de ander over de vervroegde vrijlating van Michelle Martin, ex-vrouw van kinderverkrachter en moordenaar Marc Dutroux. Ze mocht vrij, op voorwaarde dat ze het klooster in gaat.

Net als eind jaren negentig is het de Dutroux-affaire – een nationaal trauma – die de Belgen aan het twijfelen brengt over het functioneren van hun rechtspraak.

Er worden strengere wetten aangekondigd, er wordt serieus nagedacht over een grotere rol voor de slachtoffers in de rechtspraak. En ‘maatschappelijke onrust’, zei minister van Justitie Annemie Turtelboom, zou moeten meetellen als er wordt beslist over een veroordeelde die eerder vrijkomt. Daar heb je de „wraakgodinnen” uit de Griekse mythologie, zegt de Leuvense rechtsfilosoof René Foqué – die zich grote zorgen maakt over de rechtsstaat.

Freddy Pieters, de voorzitter van de rechtbank in Brussel die over vervroegde vrijlatingen beslist, waarschuwde in de media voor grotere bemoeienis van slachtoffers bij een vrijlating: dat zou het voor veroordeelden bijna onmogelijk maken om nog aan een nieuw leven te beginnen.

Politici waren gisteren, op de dag van de definitieve beslissing over Martin, vooral druk met elkaar. De leider van de Franstalige liberalen zei dat het de schuld was van de Franstalige socialisten dat Martin vrijkwam: zíj hielden een wetsverandering tegen die zulke vrijlatingen zou voorkomen. De socialisten waren woedend over de „platte demagogie” van de partij waarmee ze in de Belgische regering zitten.

Na een demonstratie in Brussel, anderhalve week geleden, mochten de ouders van slachtoffers van Dutroux op bezoek bij Justitieminister Turtelboom – die in Antwerpen ook lijsttrekker is van de Vlaamse liberalen bij de gemeenteraadsverkiezingen in oktober.

De ouders eisten dat slachtoffers mochten meebeslissen als een veroordeelde eerder vrij wilde komen. Turtelboom luisterde welwillend, deed geen harde toezegging, maar beloofde wel dat slachtoffers directer betrokken zouden worden bij zo’n beslissing. De ouders kwamen tevreden naar buiten. „Zij gaat echt iets veranderen”, zei een van hen.

Een paar dagen later mochten de ouders ook langs bij premier Elio Di Rupo. Die beloofde om nog eens met de minister van Binnenlandse Zaken te praten over de politiebescherming van het klooster waar Martin nu woont. Een van de vaders drong erop aan dat de nonnen de bewaking, die de Belgische staat zo’n 120.000 euro per maand kost, zelf gingen regelen. Hij dacht dat ze Martin dan toch niet in huis zouden willen.

Wie durfde de afgelopen weken publiekelijk nog iets anders te zeggen dan wat de slachtoffers wilden horen? Geen politicus maar wel gezaghebbend in Vlaanderen: Mieke Van Hecke, hoofd van het katholiek onderwijs, zei dat Michelle Martin „een tweede kans verdiende”.

En de Vlaamse christen-democratische senator Rik Torfs nam het op voor de Clarissen, die volgens hem niets anders deden dan hun „christelijke plicht”. Hij kreeg meteen anonieme e-mails over „de hoeren in het klooster” die een flinke brand verdienden. „Kun je nagaan”, zegt hij door de telefoon, „wat de zusters zelf allemaal over zich heen krijgen.”

Torfs windt zich op over de minister van Justitie, die volgens hem „zwicht voor de vox populi”. „Je laat mensen morrelen aan de rechtsstaat in onzekere tijden. Dat zet de beschaving onder druk.”

Rechtsfilosoof Foqué noemt het een gevaarlijk idee om slachtoffers te laten meebeslissen over een vervroegde vrijlating. „Dat tast het evenwicht in de rechtsstaat aan.” In de Atheense democratie, zegt hij, is bedacht dat de wraakgodinnen ondergeschikt moeten zijn aan de politiek en de wet. „Alleen op die manier maak je een eind aan de spiraal van geweld en wraak. De rechtsstaat heeft als opdracht om een fatsoenlijke samenleving op te bouwen voor slachtoffers en daders.”

Foqué ziet hoe moeilijk het is voor politici, die de volkswoede zien op Twitter en Facebook en denken aan de volgende verkiezingen, om voor dat fatsoen op te komen. „Het is nu aan de wetenschappers om hun stem te verheffen.”

De Brusselse rechtbankpresident Pieters, die niets moest hebben van bemoeienis van slachtoffers, zei vorige week wel dat rechters ‘onrust in de samenleving’ konden gebruiken als criterium om een veroordeelde in de gevangenis te houden. Volgens de rechtbankvoorzitter zou het alleen voor „uitzonderlijke gevallen” zijn en politici moesten maar bedenken hoe het wettelijk geregeld werd.

De krant Le Soir organiseerde op internet een debat met lezers over ‘slachtoffer-populisme’. Dat was, zei een redacteur van de krant, een te hard woord: in de rechtspraak was het slachtoffer lange tijd niet belangrijk genoeg geweest: „In een poging om dat wat meer in evenwicht te brengen, slaat het vandaag de dag misschien door naar de andere kant.”

Een lezer vroeg of Di Rupo zich nu niet wat populistisch gedroeg. „We zien paniekvoetbal”, vond de redacteur. Maar dat moest je in een context zien: in 1996, het jaar van de affaire-Dutroux, was er veel kritiek geweest op premier Jean-Luc Dehaene die te afstandelijk had gereageerd. „Di Rupo wil niet dezelfde fout maken, maar dan ontstaat de kans dat je overdrijft.”