Omgekeerd flirten

Twee jaar lang reed Esther Kim van Yale University mee met de Greyhound-bus door Amerika. Al die tijd observeerde ze haar medereizigers. Deze zomer publiceerde ze haar conclusies in het tijdschrift Symbolic Interaction: buspassagiers blijken te beschikken over een heel arsenaal aan trucs en straattheater om te voorkomen dat er iemand naast hen komt te zitten.

Zoals: oogcontact vermijden; in je tas rommelen; je jas of tas op de stoel naast je leggen; Oost-Indisch doof zijn; koptelefoon opdoen; naar je telefoon kijken; benen strekken; doen alsof je slaapt; liegen dat de stoel bezet is – tot aan de ander vijandig aanstaren met een psychopatenblik; de ‘hate stare’.

Niets nieuws, dus, voor wie wel eens met de trein reist. Maar fijn dat er nu een wetenschappelijke studie is naar die ervaring, de ervaring van de afstotingsdans, de omgekeerde flirt, dat doorzichtig drama tussen twee vreemden.

Dr. Kim constateert ook dat er een omslag plaatsvindt zodra de bus een zeker verzadigingspunt bereikt. Dan kiezen de acteurs eieren voor hun geld en veranderen ze van doel: van zorgen dat er niemand naast je zit, naar zorgen dat in elk geval geen gek aanschuift.

Zo’n omslag zie je ook in verkiezingstijd. Politici doen eerst net alsof ze niets van hun collega’s moeten hebben – de haatstaar van ‘ik ken jou niet’. Maar op een goed moment volgt de volta: dan wil men samen in een coalitiebankje, niet uit liefde, maar omdat alles beter is dan met die ene gek.

(Huiswerk: welke politicus mag er naast u zitten in de bus?)

Al dit gedrag is uiteraard doorzichtig en best ergerlijk, maar vooral ook ontroerend menselijk. „We leven in een wereld vol vreemdelingen”, zegt Dr. Kim in een bericht op de site van Wired, „en het leven in de publieke ruimte ervaren we in toenemende mate als anoniem”. Eenzame, bangelijke forenzen, wij. Vergeef ons onze afstotingsbalts.

En vergeet niet van hoe ver we komen. Apen zouden het geen tien seconden naast elkaar uithouden; het is de triomf van de mens dat er dagelijks miljoenen reizigers, dicht opeengepakt en omsingeld door louter vreemden, stil naast elkaar blijven zitten, zonder dat iemand gilt, zonder dat iemand een ander zomaar naar de keel grijpt; hooguit ontmoet je soms een valse blik.

Maar voor nu is dat ruim voldoende. Het zou te ver gaan om van de moderne mens óók nog te verlangen dat hij elke toevallige metgezel innig omhelst.