Nieuwe markten brengen nieuwe stank

Ze houden 25.000 bedrijven in de gaten. De speurneuzen van de milieudienst Rijnmond rukken meteen uit bij een stankmelding.

In Maasluis, Rozenburg en Hoogvliet weten ze nog precies hoe de haven altijd rook. Hele generaties zijn er opgegroeid met de stank van de olieraffinaderijen van Pernis in hun neusgaten.

Het kan er nog altijd stinken. Maar tegenwoordig grijpen de inwoners onmiddellijk naar de telefoon als het te gek wordt en bellen ze de meldkamer van de milieudienst Rijnmond (DCMR). Die is namens alle vijftien betrokken gemeentes en de provincie Zuid-Holland verantwoordelijk voor het toezicht op de veiligheid en het milieu in het hele havengebied.

Die zondag, eerder deze zomer, was het weer raak. Tussen kwart over zeven en kwart over tien ’s avonds kwam de ene stankmelding na de andere binnen. Uit Brielle, uit Tinte en uit Vierpolders. Allemaal plaatsjes op Voorne-Putten die zuidelijk van het havengebied liggen. Er stond een zwak windje uit het noordoosten.

De speurneuzen van de DCMR rukten onmiddellijk uit, kozen strategisch plekken en begonnen te snuiven: de sporen wezen eenduidig in de richting van Vopak in de Europoort, even ten noorden van Brielle.

Fleur Lotte, 23 jaar, kan nog niet alle 150 geurtjes uit elkaar houden die je als ‘gecertificeerde neus’ in de haven moet kennen, maar ze komt wel een eind. In theorie én in praktijk. En als ze twijfelt, is er altijd wel een ervaren speurneus in de buurt om te helpen.

Achter de telefoon in de meldkamer, is het zaak om de bellers zo specifiek mogelijk over hun klacht te laten vertellen. „Ruikt het zuur? Scherp? Olieachtig? Of misschien zoetig?” Het is een eerste indicatie of het om stookolie gaat, of om diesel, of misschien iets heel anders. Belangrijk voor de verdere opvolging.

Als Lotte ‘uitrukdienst’ heeft moet ze ter plekke zo snel mogelijk de bron zien op te sporen. Waar komen de klachten vandaan, hoe staat de wind, welke bedrijven liggen er op de route? Zelf ruiken, benedenwinds, bovenwinds en al eliminerend de bron zoeken.

Dat kan spannend detectivewerk zijn. Al was het die zondag met Vopak wel een makkie. Het bedrijf had eerder dit jaar al veel stankklachten veroorzaakt. Ze weten bij Vopak ook precies waar het aan ligt en zitten er flink mee in hun maag. Want de stankoverlast is een direct gevolg van veranderingen op de markt.

Vroeger werd er op de terminal in de Europoort vooral gelost. Nu worden er steeds vaker supertankers geladen, bestemd voor de Aziatische groeimarkten. Het gaat om Russische olie die met kleinere tankers via de Oostzee en de Noordzee naar Rotterdam wordt vervoerd. De Russen kunnen zelf geen supertankers ontvangen, omdat de Oostzee daar niet diep genoeg voor is.

De stank ontstaat bij het laden als de al aanwezige olielucht uit het ruim van de supertanker naar buiten wordt gedrukt. Als de weersomstandigheden een beetje meewerken gaat die oliedamp regelrecht de lucht in, maar als het windstil en nevelig weer is ontstaat er soms een ondoordringbare luchtlaag en verspreidt de wolk zich over de gemeenten in de omtrek. Niet gevaarlijk, maar wel heel vervelend, reageert directeur Boudewijn Siemons van Vopak dat op dit moment fors investeert om het probleem onder de knie te krijgen.

Naast menselijke neuzen werkt de milieudienst ook met elektronische neuzen. Door het hele havengebied staan snuffelpalen opgesteld, E-noses die alle luchtjes registreren en alarm slaan als er bepaalde grenzen worden overschreden.

Vopak heeft daarnaast zelf ook nog een computerprogramma draaien dat overlast voorspelt. De computer houdt in de gaten wat er gebeurt op het terrein, bijvoorbeeld het laden of lossen van een tanker, en wat de laatste weergegevens zijn. Op een scherm in de controlekamer van het tankopslagbedrijf is te volgen waar de stank naartoe kan drijven en hoe groot de wolk kan zijn. Zodra de ‘stankpluim’ boven de bebouwde dreigt te komen, moeten de pompen minderen.

Maar het detectiesysteem is nog verre van waterdicht. Die bewuste zondag lieten de elektronische neuzen geen enkele bijzonderheid zien, terwijl ze in Brielle weg zaten te stinken.

De DCMR blijft daarom alert. Vopak wordt verscherpt in de gaten gehouden. Er moet iets gebeuren aan de stank, op last van een dwangsom. Het tankopslagbedrijf hoopt het probleem medio volgend jaar te hebben opgelost met de aanleg van extra filters en een installatie die de dampen uit de ruimen kan verwerken.

Een ander bedrijf dat vanwege stankoverlast extra in de gaten wordt gehouden, is het Spaanse Abengoa, ook in de Europoort, dat biobrandstof maakt en regelmatig een zoetige gistlucht uitbraakt.

Daarnaast zijn er bedrijven die onder verscherpt toezicht staan omdat ze de veiligheid niet op orde hebben. Hun aantal varieert. Maar ook daar dreigen dwangsommen. Het Noorse tankopslagbedrijf Odfjell, in de Botlek, is de bekendste. Daar moesten eind juli de activiteiten worden stilgelegd, nadat het bedrijf bij herhaling door de milieudienst in gebreke was gesteld.

Overlast en veiligheid liggen in elkaars verlengde. Fleur Lotte en haar collega’s krijgen allerlei soorten veiligheidsmeldingen binnen. Bedrijven moeten alles rapporteren wat „onvoorzien en ongewoon” is. Bijvoorbeeld als er broei ontstaat in de steenkolenbergen van de overslag op de Eerste Maasvlakte.

Als er echt iets misgaat komen hier ook de alarmtelefoontjes binnen en roept DCMR de specialisten bij elkaar. Lotte: „Wij zijn de eerste lijn.” De toezichthouders van de milieudienst, onder wie honderd inspecteurs, vormen de tweede lijn. Met elkaar houden ze 25.000 bedrijven in het havengebied in de gaten.

De drie vorige afleveringen van deze serie stonden in de kranten van 18, 22 en 24 augustus.