Nederland kan wel wat soevereiniteit missen

In het verleden is soevereiniteitsverlies heilzaam geweest. Kleine landen hebben door het deels afstaan van soevereiniteit feitelijk meer macht kregen, schrijft H.L Wesseling.

Soevereiniteit moet wel een kostbaar goed zijn, want niemand wil het kwijt. Volgens de PVV zijn we al veel te veel soevereiniteit kwijtgeraakt aan ‘Brussel’. Volgens de SP mag er geen gram soevereiniteit meer worden weggegeven en als premier Rutte terugkomt uit Brussel vertelt hij dat er van alles is gebeurd, maar één ding niet: er is geen soevereiniteit afgestaan.

Soevereiniteit is dus kennelijk iets heel moois, maar wat is het eigenlijk? Dat is niet eenvoudig te zeggen, want het woord heeft in het verleden verschillende betekenissen gehad en dat heeft het nog steeds. Het begrip soevereiniteit in zijn moderne betekenis danken we aan de Franse politieke denker Jean Bodin (1530-1596). Vóór hem was de staat gebaseerd op de relatie tussen een soeverein (de vorst) en zijn onderdanen (de burgers). Dit was de filosofische grondslag voor de politiek onbeperkte macht van de absolute vorst. Alleen een vorst kon soeverein zijn. Toen de opstandige Nederlanders de soevereiniteit van Filips II opzegden, gingen zij dan ook op zoek naar een nieuwe soeverein, de koning van Frankrijk of de koningin van Engeland. Toen dat mislukte, namen zij zelf de soevereiniteit op zich. Daarmee liepen zij een paar eeuwen vooruit op de andere landen, want het idee van de volkssoevereiniteit vond pas bij de Franse Revolutie (1789) algemeen ingang.

Als we het nu over soevereiniteit hebben, bedoelen we meestal iets anders, namelijk volkenrechtelijke soevereiniteit. Zo zeggen we dat Nederland in 1949 de soevereiniteit over Nederlands-Indië overdroeg aan de Republiek Indonesië. Dat betekende dat voortaan alleen de regering van die republiek iets over Indonesië te zeggen had. Nederland had deze vorm van soevereiniteit al veel eerder verkregen, namelijk bij de Vrede van Westfalen (wij zeggen meestal Vrede van Münster), die een einde maakte aan onze Tachtigjarige (1568-1648) maar ook aan de Europese Dertigjarige (1618-1648) Oorlog. Dat staten soeverein zijn en geen land zich met de binnenlandse aangelegenheden van een ander soeverein land mag bemoeien, werd toen als volkenrechtelijk beginsel aanvaard.

Deze zogenoemde ‘Westfaalse Orde’ werd vaak geschonden, maar heeft als volkenrechtelijk beginsel nog steeds een zekere betekenis. Ze werd echter in de afgelopen decennia niet alleen in de praktijk geschonden maar ook in theorie ter discussie gesteld. Zou de internationale gemeenschap of een deel daarvan er niet goed aan doen te interveniëren, om genocide en burgeroorlog te beëindigen of te voorkomen en de onderdanen van een dictator te verlossen van hun wrede heerser? Velen vinden van wel.

We erkennen dus in beginsel de nationale soevereiniteit als hoogste norm, maar wat betekent dat in de praktijk? Sinds 1648 was Nederland een soeverein land, de Republiek der Verenigde Nederlanden. In 1806 werd het onder druk van Frankrijk een koninkrijk onder de broer van Napoleon. In 1810 hield het helemaal op te bestaan. De soevereine republiek werd teruggebracht tot een aantal provincies van het Franse keizerrijk. Op 10 mei 1940, om een ander voorbeeld te noemen, was Nederland een soeverein land, op 15 mei capituleerde de opperbevelhebber. Daarop volgden vijf jaren waarin Nederland niets meer over zichzelf te zeggen had. Dat deden de Duitsers voortaan. Weg soevereiniteit.

Wat dit duidelijk maakt is, dat soevereiniteit bestaat bij de gratie van macht. Alle staten zijn soeverein, maar grote mogendheden zijn meer soeverein dan minder grote mogendheden. Soevereiniteit is dan ook geen garantie voor een vredig en welvarend bestaan. De geschiedenis van de twintigste eeuw laat dit duidelijk zien. De eerste helft wordt gekenmerkt door het optreden van volstrekt soevereine staten. Het gevolg was een wereld van internationale spanningen en conflicten, resulterend in twee wereldoorlogen, tientallen miljoenen doden en onbeschrijflijke verwoestingen. Tijdens de grote economische crisis tussen die wereldoorlogen voerden de mogendheden een volstrekt soevereine en autonome economische politiek die gebaseerd was op protectie en devaluaties, en die resulteerde in een collectieve en uitzichtloze depressie.

Na de Tweede Wereldoorlog besloten veel landen delen van hun soevereiniteit af te staan. De ondertekening van het Handvest van de Verenigde Naties – waar je nooit iemand over hoort – was daar een vroeg voorbeeld van (zoals de Zwitsers beseften; die deden niet mee). In Oost-Europa bestond helemaal geen soevereiniteit meer. Daar heerste de Sovjet-Unie. In West-Europa werd op vrijwillige basis, door middel van door democratisch gekozen parlementen geratificeerde verdragen, samengewerkt: EGKS, EEG etc. Het verhaal is bekend. Anders dan tijdens de jaren 1914-1945 volgden nu, ondanks het verlies van de koloniën, dertig jaren van vrede, welvaart en ongekende economische groei. De paradox is dat kleine landen door delen van hun soevereiniteit op te geven in feite meer macht kregen, omdat zij dat deden door middel van een constructie waarin de grote dat ook deden. Niet voor niets – en niet ten onrechte – klagen met name de Britten dat de kleine landen relatief te veel macht hebben. Generaal De Gaulle had daar ook een hekel aan.

Vrede en welvaart waren niet uitsluitend en zelfs niet primair het gevolg van de Europese integratie. De belangrijkste factor was de Koude Oorlog, die in feite een Gewapende Vrede was en die de Europese machtstegenstellingen reduceerde tot wat in de mondiale machtsstrijd slechts een zijtoneel was. Ook de nieuwe Bretton-Woods instellingen (IMF, Wereldbank) en het Marshallplan droegen bij tot het internationale economische herstel, maar de Frans-Duitse verzoening en de Europese integratie waren daarom niet minder belangrijk. Nederland speelde een actieve rol in de opbouw van de Europese Economische Gemeenschap en de uitbouw daarvan tot de Europese Unie, en profiteerde daar buitengewoon van. Het Europese verhaal is dus een succes, zeker voor Nederland. Misschien hadden enkele landen wat langer in de wacht moeten staan, maar zij klopten toch maar op de deur en de EU heeft hen – vooral uit welwillendheid en schuldgevoel over hun verleden – toegelaten. Van eigenbelang, laat staan imperialisme, was geen sprake.

En dan is er nu de EMU, een politiek project waarbij economen van stonde af aan vraagtekens hebben gezet. De Unie bestaat immers nog steeds uit nationale staten met een eigen financieel en economisch beleid. Het belang van de natiestaat is namelijk door de Europese integratie niet verminderd. Het is, integendeel, eerder versterkt omdat de Europese samenwerking de opbouw van de verzorgingsstaat mogelijk heeft gemaakt. Die verzorgingsstaat kraakt nu in haar voegen. Onder druk van ‘de markten’ worden landen als Griekenland, Spanje, Portugal en tot zekere hoogte ook Nederland gedwongen hun verzorgingsstaten af te breken, dan wel de EU te verlaten, met alle gevolgen van dien. De nationale verzorgingsstaat heeft de grenzen van haar mogelijkheden bereikt. Als de EMU blijft bestaan, zal de nationale staat verder aan betekenis verliezen. Soevereiniteitsverlies is dan onvermijdelijk. In het verleden is dat heilzaam geweest.

Emeritus-hoogleraar algemene geschiedenis. Dit jaar verscheen van hem een biografie van De Gaulle: De man die nee zei.