Ethan en de Walen

Uit zelfbescherming had ik expres niet opgezocht waar Dutroux precies vandaan kwam voor ik naar België vertrok, maar in Vlaanderen kreeg ik het ongevraagd te horen: niet van hier. Uit Wallonië. Daar waar ze weigeren om Nederlands te spreken, terwijl ze dat heus wel kunnen. Wallonië: de reden dat dit land langzaam naar de klote gaat, maar dan op zijn Vlaams.

Jean-Paul en Fabienne, met oppasbaby. Foto NRC / Raoul de Jong Jean-Paul en Fabienne, met oppasbaby. Foto NRC / Raoul de Jong

Uit zelfbescherming had ik expres niet opgezocht waar Marc Dutroux precies vandaan kwam voor ik naar België vertrok, maar in Vlaanderen kreeg ik het ongevraagd te horen: niet van hier. Uit Wallonië. Daar waar ze weigeren om Nederlands te spreken, terwijl ze dat heus wel kunnen. Wallonië: de reden dat dit land langzaam naar de klote gaat, maar dan op zijn Vlaams.

Als ik er niet vermoord zou worden, zou ik er toch zeker worden ontvoerd om de rest van mijn dagen zonder eten door te brengen in een Franstalige kelder.

Maar zie daar! Een kleine interventie van het lot: een mailtje van Ethan, onze Amerikaanse vriend. Ooit Gianluca’s huisgenoot in New York, toen Gianluca en ik elkaar daar in 2006 ontmoetten. Half avontuurlijke Ernest Hemmingway, half stoffige professor, met een passend citaat van een wijze filosoof voor elke situatie. Opgegroeid op een hippie eiland voor de kust van Seattle en tegenwoordig werkzaam aan de universiteit van Berlijn. Hij was bezig aan een artikel dat hij gepubliceerd wilde krijgen. Wat voor geen meter ging. Waar ik was? En of ik zin had om samen naar Gianluca in Parijs te reizen? “Nou…” mailde ik.

We ontmoetten elkaar in Brussel en eindigden twee dagen later in Nijvel, Nivelles op z’n Frans. Onze eerste echte stad in Wallonië. Er waren twee hotels: eentje op het dorpsplein boven een restaurant. Maar ‘kaput’, ontploft, gesloten volgens de obers. En een Van Der Valk. Aan de rand van het dorp, langs de snelweg, voor 95 euro per nacht.

We konden òf nog tien kilometer lopen naar een goedkoper, maar ongetwijfeld nog lelijker Formule 1 hotel, óf we konden terug naar het dorpsplein, uit eten van het geld dat we aan overnachting kwijt zouden zijn en hopen, nee, gelóven dat het op de een of andere manier wel goed zou komen. Wat was het engste? Dat was wat we zouden doen.

Ethan in de weer met zakmes en rietstengels. Foto NRC / Raoul de Jong

Ethan in de weer met zakmes en rietstengels. Foto NRC / Raoul de JongEthan in de weer met zakmes en rietstengels. Foto NRC / Raoul de Jong

We kozen voor het restaurant met het kaputte hotel. Terwijl we de menukaart bestudeerden en probeerden te begrijpen wat het verschil was tussen ‘boulets’ en ‘boulettes’, werd er vriendelijk naar ons gelachen door een koppel achter ons. Ergens eind veertig, maar jeugdig. Ze leken nog niet lang met elkaar en ze leken verliefd, gelukkig. Misschien kwam het daardoor. “Zij zouden ons een slaapplaats aanbieden,” zei ik. Maar naar hun tafel lopen en vragen wat we nodig hadden, durfden we niet.

Tegen de tijd dat we ons eten ophadden waren zij vertrokken. Maar in de volgende bar zagen we ze weer. Op het terras. Ze lachten en wij durfden weer niks te zeggen. We raakten aan de praat met de barman die ons twee gratis Bacardi Cola gaf en ons graag een slaapplek wilde aanbieden, ware het niet dat hij de hele nacht moest werken. En toen kwam de vrouw van het stel binnen om aan de bar te betalen. “En u dan mevrouw?” vroeg de barman. “Kunt u deze twee vriendelijke jongens geen plek aanbieden?” Ze hoefde er niet eens over na te denken: Bien sur!

Ze heet Fabienne, haar man heet Jean-Paul en ze bleken al vier jaar getrouwd. Hij geeft Engelse les, zij had tot een paar jaar terug een kledingwinkel hier in de stad. Ze ontmoetten elkaar via een datingsite. Hij was zacht en vriendelijk. Zij was vrolijk en theatraal. Een diva, grapte ze zelf. Ze woonden in een van de buitenwijken, in een vrijstaand huis van drie verdiepingen met een enorme tuin. We namen plaats op de banken in de huiskamer, allevier nog lang niet van plan om te gaan slapen. “Naar Marseille ga je toch?” vroeg Fabienne en toverde een fles pastis tevoorschijn.

We spraken over België. Alles wat de Vlamingen over de Walen zeiden, zeiden deze Wallioniërs nu over hen. Dat ze arrogant zijn, de reden dat het zo slecht gaat met dit land. Dat ze weigeren om Frans te spreken, want het Engels heeft het Frans vervangen. Één België bestaat niet meer. Maar Frans voelen ze zich ook niet hier. Ze voelen zich Europeanen.

Ik vraag hen of er een recept is of een nationale held, iets wat de twee delen met elkaar verbindt, en samen komen we op Jacques Brel.

We luisteren naar Jacques Brel en hebben het over Dutroux. Toch nog, ook al durfde ik er eigenlijk niet naar te vragen. “We zijn heus niet allemaal pedofielen hier,” zegt Fabienne. Al zijn ze ook hier nooit meer helemaal van de schok bijgekomen. Nog steeds laat bijna niemand zijn kind alleen naar school. Zonder toezicht spelen in de achtertuin, dat mag, maar niet in het parkje verderop. Nog steeds gaan er soms geruchten: er is een wit busje gezien… Maar waar en hoe laat en wie er in verdwenen zou zijn, is nooit helemaal duidelijk.

Dan praten we over Fabienne’s moeder, hun jeugd, de liefde, hun kinderen, haar beste vriend, Puck en Amerika. En dan, vooruit, drinken we de fles pastis leeg en zingen mee met Jacques Brel.

Om negen uur de volgende ochtend gaat de wekker. “Time to wake up!” zegt Ethan vrolijk. “Whatever,” zeg ik en trek de deken over mijn hoofd. Maar het ontbijt staat beneden al te wachten. Koffie en croissantjes en jam en kaas en twee heerlijke tompoezen.

Raoul kreeg voor zijn tocht van de ANWB Human Nature travel gear, een rugzak en een jack van The North Face en een iPad van Mangrove.