De Bovenbazen (84)

Tom Poes stond echter op en opende de deur. In plaats van een woedende menigte Soliumwinners stond er een nietig ventje op de drempel, dat vriendelijk groette.

‘Kwetal!’ riep Tom Poes uit. ‘Ben je ook op de vlucht?’

‘O nee, helemaal niet,’ zei het grijsaardje. ‘Dat hoeft niet meer. Bommel heeft woord gehouden. Ik kwam toevallig langs en ik dacht; dat moet ik toch even vertellen.’

‘Kom binnen,’ hernam Tom Poes. ‘Wat moet je vertellen?’

‘Dat de woestijn niet verder komt,’ verklaarde Kwetal. ‘Het vermalen van het bos is gestopt!’

Hij stapte blij de kamer in, en bleef staan toen hij heer Ollie ontwaarde.

‘Ik dank de reus die onder de tafel zit,’ sprak hij terwijl hij een beleefde buiging maakte.

‘O eh… geen dank,’ stamelde de aangesprokene verward. ‘Ik… eh… ik zit hier maar zo’n beetje, als je begrijpt wat ik bedoel…’

‘Nee,’ zei de oude. ‘Maar de reus Bommel doet dikwijls dingen die mijn denkraam te boven gaan.’

‘Ja, ja,’ zei heer Bommel. ‘Zo is het ook met mij… ik doe ook dikwijls dingen die mijn denkraam te boven gaan.’

Zo sprekende klom hij niet zonder moeite te voorschijn en nam een zittende houding aan.

‘Dat heeft men als heer zijnde,’ mompelde hij. ‘Het is héél moeilijk.’

‘Nou, dat lijkt me!’ riep Kwetal uit. ‘Ik hoop anders dat u een beetje plezier hebt van de futvoeder. Het was een klein geschenkje, maar het is het enige dat ik terug kan doen. Werkt hij goed?’

Er viel een kleine stilte.