Overgeven terwijl de kapitein je sixpack opdrinkt

Tussen Panama en Colombia kun je niet reizen over land. Dus vlieg je, of zeil je langs de prachtige San Blas- eilanden. Maar beter niet met schipper Carlos.

Het leek nooit een écht goed idee om de – toch al zware – zeiltocht van Panama naar Colombia te maken met schipper Carlos. Niet toen we de Portugees ontmoetten en hij dronken oreerde alsof-ie Robert De Niro was. Niet toen hij ons diezelfde avond in z’n wiebelende, zelfgemaakte dinghy naar zijn boot, de Carolina Susanna, bracht en in plaats van het beloofde avondeten een baal wiet ter grootte van een baksteen op tafel zette.

Toch besloten wij, drie intelligente, volwassen Hollanders, met hem mee te gaan. En er 250 euro voor neer te leggen. Veel mensen hebben sindsdien gevraagd waarom. Eigenlijk weet ik het nog steeds niet.

Misschien hoopten we dat Carlos met z’n vlassige staart, duivelse lach en alles overheersende stem, een mooie reisgezel zou zijn. Een soort real life-piraat die ons met z’n eindeloze stroom aan briljante zeeanekdotes avond aan avond zou vermaken. Misschien geloofden we hem toen hij zei dat hij tijdens het zeilen geen verdovende middelen zou aanraken: ‘Zeilen is mijn leven, dat neem ik serieus’.

Maar wie ons vooral geruststelden, waren Cam en Summer. Twee verstandige dertigers uit Canada die – met hond Toka – ook met Carlos meewilden. Cam en Summer waren het soort mensen dat de tocht nooit zou overwegen als het niet veilig was, dachten we. Pas nadat we de eerste nacht op ruwe zee met Carlos hadden overleefd, bleek dat zij precies hetzelfde hadden gedacht over ons.

Tussen Panama en Colombia reizen is niet te doen over land. Er loopt geen weg (de Pan America is er onderbroken) en het gebied wemelt van de guerrillero’s en drugssmokkelaars. Wie tussen Midden- en Zuid-Amerika reist, gaat daarom vliegen of – in het geval van de zuinigere backpacker – neemt de boot. Een mooie bijkomstigheid van de laatste manier is een bezoek aan de wonderschone San Blas-eilanden die voor de kust van Panama liggen verspreid.

Lydian, mijn reismaatje, en ik waren daarom al in Costa Rica begonnen met de zoektocht naar een geschikte boot. We regelden een mooie zeilboot van een aardig Venezolaans echtpaar voor onszelf en een Nederlandse backpacker die we in Panama City hadden ontmoet. Maar nog voordat we de haven uit waren, haperde de motor. De kapitein vond het onverantwoord om te vertrekken.

Terug aan land troffen we een Canadees met een strohoed, lange staart en prachtige, witte hond. „You guys looking for a boat? Me too. I met this captain that can take us. He usually doesn’t take passengers. He’s kind of a pirate...” Die avond maakten we kennis met Carlos.

Twee dagen later gingen we aan boord, al was het niet van harte. Carlos propte tierend onze fucking bags in het achteraf gezien niet waterdichte ruim. De grote zak vol vers fruit die wij uit voorzorg hadden gekocht – Carlos had enkel blikvoer –, werd met gemopper ontvangen. Alleen onze tientallen sixpackjes borg hij zorgvuldig op.

Opgeruimd had hij niet. Carlos had de nacht ervoor een klein afscheidsfeestje gegeven. Het bewijs, Carlos’ vrienden in de vorm van een stokoude Canadese goudzoeker met een alcoholprobleem en een 52-jarige backpacker uit Californië, lag uitgeput en stomdronken op het dek. Dat Carlos het bed waar Lydian en ik in zouden slapen niet had verschoond, bleek de volgende ochtend toen Lydian met tientallen verse beten van bedbugs wakker werd. Na een tirade van vijf minuten („There are no fucking bugs in my bed!”) beloofde Carlos aan land te gaan en bugspray te kopen. Misschien bond hij ditmaal voor zijn doen snel in, omdat hij die nacht op de bank knock out was gegaan en de oven met een nachtelijk maaltje vis had laten branden. Gelukkig voor ons werd Cam wakker van de hitte.

Die avond zetten we koers richting de eilanden. Wat volgde was 22 uur pure hel. Terwijl de Carolina Susanna over golven van vijf meter hoog werd gesmeten en wij zessen net zo lang boven onze emmertjes hingen tot er niets anders dan schuim uitkwam, dronk Carlos onze sixpackjes op. Hij had schik als we ziek waren en schold ons uit zodra we hem in de weg zaten.

In het holst van de nacht schrokken we wakker uit onze zeezieke roes. Een schreeuwende Carlos. Het peperdure zeil was gescheurd. Wij idioten brachten ongeluk. Met tweederde zeil vervolgden we de reis. Volgens de snelheidsmeter haalden we de rest van de nacht amper drie knopen (5,5 kilometer) per uur.

Met het aanbreken van de dag werden de golven minder, een metertje of drie. De twaalf uur die volgden ben ik zonder ziek te zijn doorgekomen. Al gold dat niet voor iedereen. Ergens die dag vroeg Cam aan Carlos wat de veiligheidsvoorschriften waren als de kapitein zelf overboord zou donderen. Carlos’ antwoord: „If I go fucking overboard, I’m a fucking dead man, so why would I give a fucking fuck about you fuckers?”

Vlak voor zonsondergang bereikten we eindelijk land. Een prachtig eiland. We wilden niets liever dan aan wal, maar mochten niet van Carlos. Hij had geen zin om ons in het donker met de dinghy te brengen. Hij wilde wel voor ons koken. Onze zwakke maagjes kregen een raar prutje met stukjes hotdog uit blik te verwerken.

Twee uur nadat wij waren gearriveerd, zagen we een andere boot aankomen. De Odyssee van kapitein Umberto. De boot vol backpackers was die ochtend vanuit dezelfde haven vertrokken als wij de avond ervoor. De zee was heerlijk kalm geweest, niemand was ziek geworden en ze hadden er een uurtje of acht over gedaan.

Kapitein Umberto bleek, behalve een betere schipper, ook de dagen die we samen met hem en zijn groep op het eiland verbleven, een geweldige gastheer. Terwijl wij met oude zeilen – die we na veel geruzie van Carlos mochten lenen – zelf een provisorische hut bouwden en op een kampvuurtje eten maakten, toverde Umberto koepeltentjes voor zijn gasten uit het ruim en zorgde hij voor verse sashimi.

Na een paar – heerlijke – dagen snorkelen, eilandgolf spelen, rum drinken en Carlos negeren, moesten we weer aan boord. Maar tot onze grote opluchting gingen we ditmaal achter de Odyssee aan. Was Carlos alsnog overboord gedonderd, dan hadden wij fuckers enkel Umberto hoeven waarschuwen.

De bootreis heeft tot de eerste de beste Colombiaanse haven geduurd. Verder wilden wij niet met Carlos. De zee was al die tijd relatief rustig. Op één bizar hoge golf na die midden in de nacht over de Carolina Susanna sloeg. De honden zaten gelukkig goed vast. Het enige wat de vloedgolf niet overleefde, was een witte boei en Carlos’ peperdure radarapparatuur. Hij heeft die nacht meerdere malen gemompeld dat we echt ongeluk brachten. Wij houden het op karma.