Koopkracht lager, behalve bij topinkomens

De koopkracht van de Nederlandse bevolking is vorig jaar met gemiddeld 0,4 procent afgenomen. Alleen de hoogste inkomensgroepen ontsnappen aan de koopkrachtdaling. Dat blijkt uit vandaag gepubliceerde cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

2011 is het tweede jaar op rij waarin de koopkracht daalde. In 2010 bedroeg het verlies gemiddeld 0,6 procent. Voor de berekeningen van de gemiddelde koopkracht heeft het CBS de Nederlandse bevolking ingedeeld naar inkomstenbron en de hoogte van het inkomen. Wie afhankelijk is van een pensioen of uitkering, ondervond vorig jaar de grootste daling.

Gepensioneerden (1,1 procent) zagen hun pensioen lager geïndexeerd of juist gekort. Uitkeringsontvangers ondervonden een gelijksoortige daling. Daarna volgen bijstandsontvangers (1 procent) en arbeidsongeschikten (0,8 procent).

Ook zelfstandigen zagen hun koopkracht dalen (0,6 procent). De verschillen binnen deze groep zijn volgens het CBS echter groot. Bij 10 procent van hen daalde de koopkracht vorig jaar met 34 procent of meer. Bij een even grote groep nam de koopkracht met 29 procent of meer juist sterk toe.

Volgens het CBS zagen werknemers hun koopkracht gemiddeld toenemen. Als gevolg van periodieke loonsverhogingen, promotie of een nieuwe baan bedroeg de stijging 0,5 procent. Die toename is sterker dan die van de cao-ontwikkelingen.

Die stijging komt voornamelijk voor rekening van de hoogste inkomens, blijkt uit de opdeling door het CBS naar de hoogte van het inkomen. Enkel de top 10 procent met een inkomen boven 100.000 euro per jaar zag zijn koopkracht stijgen met 0,8 procent. De volgende 10 procent, met een inkomen tussen de 80.000 en 100.000 euro, bleef steken op hetzelfde koopkrachtniveau als een jaar eerder. De overige 80 procent had minder te besteden.

De daling is er het grootst bij de laagste 20 procent. Dit koopkrachtbeeld wordt sterk bepaald door uitkeringsontvangers, schrijft het CBS. Zij hebben veelal een relatief laag inkomen. In deze groep zijn relatief veel gepensioneerden met een klein aanvullend pensioen.