Het tv-kanaal van God bestaat niet meer

De media in Afrika waren altijd de saaiste ter wereld: een kritiekloze spreekbuis voor leiders. Nu groeit Afrika, onder invloed van China. De media worden commercieel.

De president dankte God voor het goede leiderschap van zijn land. Dat was hij dus zelf. Zonder een spier te vertrekken las de presentator van de Keniaanse staatsomroep het eerste onderwerp van de nieuwsuitzending voor, dat steevast over de president ging.

Zo ging het in de jaren tachtig in Kenia: de media waren speelbal van de heersende elite. De preutse president had zich geërgerd aan een Amerikaans soulprogramma met schaarsgeklede, dansende dames. Het programma verdween van de buis. Kranten schreven over de strijd van het Afrikaanse Nationale Congres (ANC) tegen de racistische machthebbers in Zuid-Afrika, een strijd alom gesteund in Afrika. Maar de berichtgeving werd gekopieerd van Europese en Amerikaanse persbureaus en die noemden Nelson Mandela en zijn groep ‘terroristen’.

‘Kijk naar wat je wilt’, adverteert tegenwoordig een kabelbedrijf in de Keniaanse hoofdstad Nairobi. De media in de meeste Afrikaanse landen ondergingen de afgelopen kwart eeuw een revolutie, van saaie naprater van de overheid tot bruisend pluralisme. Op de goeddeels geprivatiseerde mediamarkt probeert China nu vaste voet te krijgen door financiële steun te geven aan mediabedrijven. Sinds begin dit jaar heeft China een eigen, op Afrika gericht tv-station in Afrika: CCTV. „China komt op de markt als een schim uit het verleden”, zegt de Keniaanse journalist Robert Ochala. „Wie wil er nu nog naar de door de staat voorgekauwde nieuwsuitzendingen kijken?”

De media in Afrika waren tot midden jaren tachtig de saaiste ter wereld. Eén programma uitgezonderd: Focus on Africa (BBC). Rebellenleiders of presidenten gaven er graag interviews. Terwijl de staatsmedia als papegaaien hun regeringen napraatten, durfde dit programma kritische vragen te stellen en tegendraadse politici aan het woord te laten. De ex-Oegandese president Milton Obote hing tijdens zo’n interview geïrriteerd de telefoon op, de Liberiaanse guerrillastrijder Charles Taylor deed geen aanval zonder eerst Focus on Africa in te lichten.

Aan het papegaaientijdperk kwam in de jaren negentig een einde met de liberalisering van de radiogolven door de Afrikaanse regeringen. Talrijke onafhankelijke FM-stations verrezen. Deze radiostations begonnen met talkshows waarin ze politici het vuur na aan de schenen legden. Ze doorbraken taboes door programma’s voor jongeren te maken over seks en ouderlijke problemen. Een radiostation in de Oegandese stad Gulu kreeg in een praatprogramma zelfs een keer de verguisde Joseph Kony van het Verzetsleger van de Heer aan de lijn.

Met de mobiele telefoon en de digitale communicatie haalde Afrika de afgelopen jaren zijn achterstand op de mondiale mediamarkt in, Afrika professionaliseerde. Kenia nam zelfs enkele jaren een voorsprong door de introductie van M-Pesa: geld overmaken via de mobiele telefoon. Hulporganisaties beginnen met debetkaarten waarmee een hongerlijder zijn rantsoen niet in een hongerkamp ophaalt, maar bij de dorpswinkel. De media zijn volwassen geworden in dit tijdperk van opengegooide communicatie. De Keniaanse Daily Nation bouwde een netwerk van correspondenten op die nieuws vanuit een Afrikaans en niet-westers perspectief belichten. Radioprogramma Focus on Africa is geen noodzaak meer. Om relevant te blijven, verhuisde het programma vorige maand naar de televisie.

De laatste slag om de aandacht van de Afrikanen wordt geleverd op de televisie. En dat is een strijd tussen de oude grootmachten Europa, Amerika en China, tussen CNN, BBC en Al Jazeera, en sinds kort het Chinese station CCTV. Bij CCTV werken vijftig stafleden met veertien correspondenten verspreid over het continent, op het begin dit jaar in Nairobi geopende hoofdkwartier. Het breidt zijn netwerk uit terwijl de BBC het juist met minder correspondenten doet. Het Chinese persbureau Xinhua heeft twintig kantoren op het continent en hun verhalen worden steeds frequenter in Afrikaanse kranten afgedrukt.

„We zijn verwikkeld in een informatieoorlog, en we verliezen die oorlog”, zei de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton vorig jaar over de groeiende invloed van de door de Chinese staat gesteunde tv-stations in Afrika. Met argusogen kijkt het Westen naar de toenemende economische betrekkingen* tussen Afrika en China en het hiermee gepaard gaande charmeoffensief in de media. China geeft steun aan Afrikaanse staatsomroepen. Het zet CCTV in, zo stelt een rapport van de Universiteit van Oxford, om de gigantische Chinese investeringen op het continent te adverteren. En om de soms discutabele economische overeenkomsten en mijnbouwpraktijken beter te doen voorstellen.

Maar de westerse vrees voor Chinese invloed op de Afrikaanse opinie lijkt overdreven. De filosofie van snelle economische ontwikkeling met centralisatie van de macht en onderdrukking van democratische vrijheden is in de meeste Afrikaanse landen een achterhaald concept. Het westerse ontwerp van commercialisering en diversificatie van de media is in opgang.

Afrika is nog lang niet verloren voor het Westen. De beter gesitueerde Afrikaan kijkt via satelliet naar het Zuid-Afrikaanse DSTV, met in Europa gemaakt nieuws, documentaires en speelfilms. En westerse ontwikkelingsorganisaties blijven hun ideeën over persvrijheid verbreiden. Stations van de Verenigde Naties in Congo en Zuid-Soedan brengen onafhankelijk nieuws als onderdeel van hun vredesmissie. Na de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan vorig jaar stroomden buitenlandse media-experts toe vanuit IJsland, Denemarken, Nederland en Amerika om Zuid-Soedanese journalisten het vak te leren, hoewel 90 procent van de bevolking in Zuid-Soedan kan lezen noch schrijven.