Geeuwen is liefde

Het is rond twee uur ’s middags en ik zit opgevouwen in een vensterbank te luisteren naar iemand die ik wel ken maar niet zo vaak zie, als ik het voel opkomen: een kietelende druk in mijn keel, een oeroud reflex – nog even en ik zal mijn hoofd in mijn nek willen gooien voor

Het is rond twee uur ’s middags en ik zit opgevouwen in een vensterbank te luisteren naar iemand die ik wel ken maar niet zo vaak zie, als ik het voel opkomen: een kietelende druk in mijn keel, een oeroud reflex – nog even en ik zal mijn hoofd in mijn nek willen gooien voor een minutendurende geeuw, zo een vol overgave, zoals potige mannetjesleeuwen dat kunnen doen.

Wee sowwy, het wigt ewt niet aan wou, wee éwt niet

Toch reageert mijn meer sociaal aangepaste kant sneller: terwijl ik mijn gesprekspartner nadrukkelijk blijf aankijken, probeer ik uit alle macht de geeuw te onderdrukken. Ik klem mijn kaken op elkaar alsof mijn gezicht zich schrapzet voor een tsunami, en als de gaap over me heen golft voel ik hoe mijn neusgaten groot worden, mijn kaakspieren zich aanspannen en ik nerveus met mijn ogen moet knipperen om de tranen tegen te houden. Met andere woorden: ik zie eruit als een TBS’er die krampachtig probeert zijn verlof niet te verspelen. Maar ik kan trots zijn op mezelf: ik heb in ieder geval niet in het zicht gegaapt.

Er zijn vast mensen die nauwelijks gapen, maar daar hoor ik niet bij: ik kan geeuwen als een cricketcommentator. Jammer genoeg kent de maatschappij geen liefde voor de gapende mens: zodra je in een gesprek een kleine gaap tentoonspreidt, kan je steevast rekenen op deze reactie: „Sorry? Zag ik dat nou goed? Was jij aan het gapen? Vind je het soms allemaal een beetje saai? Zal ik maar ophouden met praten dan? Als jij je blijkbaar helemaal KAPOT aan het vervelen bent? Nee, vind ik prima hoor. Dan vertel ik wel even aan die lantaarnpaal daar over mijn onzekerheid bij mijn eerste internetdate. Geen probleem, let maar niet op mij. En sorry dat ik je zo verschrikkelijk heb LASTIGGEVALLEN met mijn GEVOELENS. Nog veel plezier met de rest van je leven.”

Terwijl: bij mij heeft gapen eigenlijk nooit iets te maken met of ik me verveel of niet. Ik kan uren luisteren naar een monoloog over de architectuur van Lelystad terwijl mijn gezicht perfect in de plooi blijft. Anderzijds moet ik soms bij de meest oneerbare bekentenissen mijn mond afdekken, terwijl ik iets uitbreng als: „Wee sowwy, het wigt ewt niet aan wou, wee éwt niet.” Ik gaap voornamelijk als ik moe ben – wat ligt aan mijn eigen belabberde bedmanagement. Ik gaap als ik in een slechtgeventileerde ruimte ben, wat de schuld is van misantropische architecten. En ik gaap weleens zomaar, zonder aanwijsbare reden, om de niet-gaapfähige tijd twee uur ’s middags terwijl ik naar een verhaal luister – maar leg dat maar eens uit. Er bestaat een theorie dat geeuwen een vorm van broederschap is. Mensen die zich op hun gemak voelen in elkaars buurt gapen elkaar na: als de een gaapt, volgt de ander – het werkt zelfs met honden. Dit vind ik een mooi idee: de geeuw als schouderklopje, als een teken van sympathie dat meestal direct geretourneerd wordt.

Dus laten we zeggen dat gapen juist een compliment is. En laten we elke steelse, weggemoffelde geeuw beantwoorden met een enorme nijlpaardengaap, onverbloemd, recht in het gezicht. Waarna we tegen onszelf zeggen: verveling? Nee hoor, dit was liefde.