De Bovenbazen (83)

Net toen Tom Poes aan de maaltijd wilde beginnen, stormde heer Bommel de kamer in. Hijgend en met draaiende ogen wierp hij de deur achter zich in het slot en leunde toen uitgeput tegen het houtwerk.

‘Heer Ollie!’ zei Tom Poes ongerust. ‘Is er iets?’

‘Mam… mammoeten!’ stamelde de vluchteling. ‘Hap… happers… Zitten achter me aan!’

‘Ik hoor niets,’ zei Tom Poes na enig luisteren. ‘U bent hier veilig, hoor. Wilt u een hapje mee-eten? Ga toch zitten.’

De bezoeker gehoorzaamde bevangen doch gretig. Hij schepte zich een ruim maal op en begon het voedsel met grote snelheid naar binnen te werken.

‘Dat smaakt,’ sprak hij, toen hij halverwege was. ‘Het is mooi van je dat je me laat delen in je overvloed, jonge vriend. Ik dacht dat iedereen tegen me was, nu ik in behoeftige omstandigheden verkeer. En ik ben lelijk tegen je geweest. Die duit van de weddenschap zit me dwars en die onzin over minvermogenden…’

‘Daar praten we niet meer over,’ zei Tom Poes. ‘Maar wat bedoelt u met behoeftige omstandigheden? Bent u uw vermogen kwijt?’

‘Het zit vast,’ verklaarde heer Bommel met volle mond. ‘Samengebald in de bovenbaaskluis, je weet wel.’ Daarop legde hij in korte trekken zijn zorgen uit en hij besloot met een beschrijving van de stakersbetoging.

‘Hier zullen ze u niet zoeken,’ zei Tom Poes geruststellend. ‘We hebben alle tijd om een plan te maken. Ik heb al een idee.’

Op hetzelfde moment werd er krachtig op het raam geklopt en de energiekoning dook met een gesmoorde kreet onder de tafel.