Beukende lofzang op de Bataven

Op hun nieuwe cd Batavi zingt de Nederlandstalige folkmetalband Heidevolk over oude Germanen: zo geven ze geschiedenisles aan hardrockers. „We willen geen tweede Normaal worden.”

Muziekjournalist

Er tuft een piepkleine zwarte Skoda over de Hoge Veluwe. Buiten zoeft het natuurschoon voorbij, binnen klinkt ‘The Hunter’ van Dokken, een metalband die zijn glorietijd in de jaren tachtig beleefde. „Stinken we niet te veel?” informeert chauffeur Joris ‘van Gelre’ (34) bij de achterbank. Bijrijder Reamon ‘Bomenbreker’ (30) schiet in de lach. „We hadden gisteren een eighties-feest in het café.” Dat verklaart de kater en de dubbele kegel die door de auto walmt. Van Gelre, geschrokken: „Ik zie dat de ramen beslaan.” En dan geruststellend: „Maar volgens mij mag ik al weer rijden, hoor.”

Van Gelre en Bomenbreker zijn zanger en gitarist in Heidevolk, een Nederlandstalige metalband die de heldendaden bezingt van hun allervroegste voorvaderen: de oude Germanen. Onlangs verscheen hun vierde album: Batavi, over de Bataafse opstand tegen de Romeinen.

En kater of niet, op deze vroege zaterdagochtend geeft Heidevolk een rondleiding langs een van hun belangrijkste inspiratiebronnen: het ongerepte Gelderse land. „Ik heb een abonnement”, zegt Van Gelre zodra hij de slagboom van Het Nationale Park De Hoge Veluwe is gepasseerd. „Je kunt daar allerlei clichés voor gebruiken, dat je je kop kunt leegmaken en dat het therapeutisch is. Maar als ik door een bos loop, merk ik na verloop van tijd echt dat mijn hartslag daalt. Dan ga ik dieper over dingen nadenken. De herfst, als de herten beginnen te burlen, is het allermooist. Dan zijn hun geweien het grootst en gaan ze met elkaar knokken.”

In de verte rent een hertje over de kale hei. „Telt niet”, besluit Van Gelre streng vanachter het stuur. „Die worden bijgevoerd voor de toeristen.” Wild spotten, vindt hij, doe je te voet. En dus zet hij de Skoda ergens in een uithoek van het park. „Hier is in ieder geval recentelijk nog gewroet”, zegt Van Gelre, wijzend naar de door zwijnen omgeploegde grond. En bij een keutel: „Deze is nog vers.”

Van Gelre: „Ik kom uit een klein dorpje en ben altijd een buitenmens gebleven. Op school leerde ik alleen over de Romeinen. Maar toen ons dorp Oosterbeek door Arnhem dreigde te worden geannexeerd, verschenen er ineens proteststickers met daarop een Bataaf. In de strijd om onafhankelijkheid bleek dat een belangrijke inspiratiebron te zijn. Toen heb ik ook een werkstuk voor school gemaakt over de Bataven. Inmiddels heb ik boekenkasten vol staan, inclusief zolder en kelderbox.”

Heidevolk maakt folkmetal, ook wel pagan (heidens) geheten. De Europese stroming ontstond eind jaren negentig toen Scandinavische metalbands hun muziek gingen vermengen met folklore, oude instrumenten als violen, luiten en hoorns herontdekten, tekstueel teruggrepen op mythologie en zich – net als de fans – uitdosten als Vikingen, Germanen of sprookjesfiguren als trollen en elfen.

Door die verkleedpartijen gaan populaire paganfestivals, zoals dat in het Tilburgse 013, tegenwoordig standaard gepaard met veiligheidsvoorschriften die de bezoekers waarschuwen dat hun „drinkhoorns, pinbanden, zwaarden en andere puntige voorwerpen niet zijn toegestaan [...] Aan het einde van de dag kun je je in beslag genomen spullen uiteraard gewoon weer ophalen.”

Toegegeven: bij het horen van ‘Een nieuw begin’, het openingsnummer van Batavi, is het niet moeilijk voor te stellen hoe de tot de tanden bewapende Bataven zich klaarmaken om de Romeinse overheerser een kopje kleiner te maken. In ‘Als de dood weer naar ons lacht’ proef je de opgefokte waanzin van het slagveld. Raggende gitaren (van Bomenbreker en Sebas Bloeddorst), beukende bas (Rowan Roodbaert) en knallende drums (Joost den Vellenknotscher) dicteren het marcheerritme.

Tegelijkertijd brengt de plechtige, tweestemmige zang de luisteraar in stenentijdperkstemming. Archaïsch taalgebruik lijkt een vereiste. Maar die strijdkreten worden dan wel weer uitermate verstaanbaar gezongen, wat in metal niet gebruikelijk is.

En gek genoeg hoeft de schijnbare taalbarrière de expansiedrift niet te belemmeren. Heidevolk is namelijk net terug van de zoveelste Europese tournee die langs grote zalen voerde. De paganscene is hecht en de fans laten zich niet afschrikken door een taal die ze niet kennen.

Van Gelre: „In Duitsland zingt iedereen onze teksten mee. En zelfs ook in Italië.”

Bomenbreker: „Er klopt vaak geen reet van.”

Van Gelre: „Bij het refrein van ‘Saksenland’ wist een geluidsman zeker dat we ‘Dr. Love’ zongen! Ook al heeft men geen idee waar het over gaat, we zetten een sfeer neer die iedereen goed aanvoelt.”

„We hebben echt geen politieke boodschap”, benadrukken de bandleden bij het knapperende haardvuur in De Koperen Kop, achter een pannekoek met spek en kaas. Van Gelre: „Als ik in Zeeland was geboren, had ik helemaal uitgezocht hoe de Zeeuwen vroeger leefden. Dat wij heel blij zijn met onze streek heeft niets met politiek te maken. Alleen met onze liefde voor natuur, cultuur en folklore.”

Maar trekken ze dan nooit ongewild Blut und Boden (nationaal-socialistische ideologie) -aanhangers aan? „Bij ons staat alles in het publiek: van blank tot zwart en van jong tot schijndood. Als je sommige regels uit de context haalt, kun je er van alles in lezen. Maar het gaat gewoon over de geschiedenis van de Germanen. Niks meer, niks minder.” Bomenbreker: „In München dachten er mensen dat we duivelaanbidders waren.”

Van Gelre: „Er was protest aangekondigd tegen ons optreden, terwijl er veel ergere bands op het programma stonden. ”

Bomenbreker: „Waarschijnlijk kwam het door de twee hoorns in ons bandlogo. Ach, wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok.”

Van Gelre: „Bij het nummer ‘Saksenland’ brengen we met zulke drinkhoorns altijd een eerbetoon aan de heidense Saksen die zijn gesneuveld in de oorlog tegen de Franken. Als je dan de mosh pit inkijkt, vraag je je weleens af of iedereen dat begrijpt. Maar er zijn genoeg echt geïnteresseerden. Bovendien hoort het bij wat we doen als band: we geven ook geschiedenisles. We willen geen tweede Normaal zijn, waarbij het enkel gaat om zuipen en beesten.”

Na een uurtje struinen door het bos blijft Van Gelre opeens stokstijf staan. „Twee moeflons”, sist hij. „Wilder dan dit wordt het niet.” Na een tijdje te zijn bekeken, rennen de oerschapen weg. „Geen nood”, verzekert Van Gelre. „Die beesten denken in calorieën en doen geen stap meer dan nodig is.” En inderdaad, de rest van de middag blijven moeflons en Heidevolk om elkaar heen cirkelen. Bomenbreker: „Er achteraan rennen heeft geen zin. Germaanse jagers bleven juist doodstil in het bos staan, wachtend op hun prooi. Daarom zijn mannen nooit zulke praters.”

Van Gelre: „Dat is het jachtinstinct. Van vrouwen is uitgerekend dat ze per dag twintigduizend woorden moeten gebruiken om zich gelukkig te voelen. Mannen hebben aan tweeduizend genoeg.”

Soms, verzucht hij, heeft de zanger het gevoel dat hij de Germaanse geschiedenis nu wel heeft verteld. Eigenlijk staat Heidevolk op een tweesprong. Want waar de leden voorheen in Germaanse gewaden het podium beklommen, zijn die berenvellen en oude lappen inmiddels afgeworpen. Tegenwoordig is de dresscode simpelweg: zwart. Dat hij zijn oorspronkelijke bandnaam ‘Joris Boghtdrincker’ heeft veranderd in ‘Van Gelre’ heeft daar ook mee te maken. En vergeleken met de voorgangers klinkt Batavi ook harder, zegt Bomenbreker. „Het is meer een gitaarplaat, met minder folk.” Van Gerle sluit zelfs niet uit in de toekomst ook de post-Germaanse geschiedenis te gebruiken als materiaal, zegt hij als de moeflons zijn verdwenen en hij langs een oude bunker loopt. „De slag om Arnhem zou zomaar een schitterende plaat kunnen opleveren. Daar gaan we binnenkort met zijn allen maar eens over discussiëren.”

Batavi is verschenen bij Napalm Records. Zie. www.heidevolk.com