Alleen de hoogste inkomens zagen hun koopkracht vorig jaar stijgen

Alleen de groep met de hoogste inkomens had vorig jaar meer te besteden. Hun koopkracht steeg met 0,8 procent, terwijl de koopkracht gemiddeld juist met 0,4 procent afnam. Dat blijkt uit vandaag gepubliceerde cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het betreft huishoudens met een inkomen van 108.600 euro of meer.

Voor tachtig procent werd de bestedingsruimte kleiner

Het CBS heeft voor de berekeningen van de koopkracht de Nederlandse bevolking ingedeeld in tien delen, zo vat persbureau Novum samen. Alleen het tiende deel met het hoogste inkomen zag de koopkracht stijgen, de volgende tien procent met een inkomen tussen de 83 en 108 duizend had dezelfde koopkracht als een jaar eerder. De overige tachtig procent had minder te besteden.

Opgedeeld naar inkomstenbron blijkt dat de daling van de koopkracht het sterkst was onder gepensioneerden. Die hadden vorig jaar 1,1 procent minder te besteden doordat de pensioenen nauwelijks geïndexeerd werden of zelfs werden verlaagd. Ook voor bijstandontvangers (1,0 procent) en arbeidsongeschikten (-0,8 procent) nam de koopkracht relatief sterk af.

Grote verschillen onder zelfstandigen

Onder zelfstandigen nam het besteedbare inkomen vorig jaar met gemiddeld 0,6 procent af. Onder deze groep zijn de verschillen echter zeer groot, tekent het statistiekbureau aan.

“Bij tien procent van hen bedroeg de koopkrachtmutatie vorig jaar -34 procent of minder, terwijl bij een even grote groep de koopkracht met 29 procent of meer toenam.”

Mensen met een baan zagen hun koopkracht gemiddeld juist stijgen met een half procent. Dat kwam niet voort uit de cao’s. “Door periodieke loonsverhoging, promotie of een nieuwe baan verbeteren werknemers hun loon doorgaans sterker dan volgens de cao-ontwikkeling”, zag het CBS.